ECLI:NL:RVS:2025:5980

Raad van State

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
202406483/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake compensatie toeslagenaffaire en toepassing hardheidsclausule

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellant] tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg, waarin het beroep van [appellant] gegrond werd verklaard. [appellant] had een aanvraag ingediend bij de Dienst Toeslagen voor compensatie van € 30.000,00 in het kader van de toeslagenaffaire. De Dienst Toeslagen had deze aanvraag afgewezen, omdat [appellant] geen kinderopvangtoeslag had aangevraagd, wat een voorwaarde is voor de compensatie. De rechtbank oordeelde dat de Dienst Toeslagen het bezwaar van [appellant] ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard, maar bevestigde wel dat [appellant] niet in aanmerking kwam voor compensatie omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).

In hoger beroep stelde [appellant] dat hij in materiële zin gelijkgesteld moet worden met een gedupeerde ouder en dat de hardheidsclausule van toepassing zou moeten zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde echter dat [appellant] geen bewijs had geleverd dat zijn situatie gelijk te stellen was met die van een gedupeerde ouder. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het hoger beroep ongegrond was. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

202406483/1/A2.
Datum uitspraak: 10 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 27 september 2024 in zaak nr. 23/1584 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 1 juni 2022 heeft de Dienst Toeslagen [appellant] medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor het compensatiebedrag van € 30.000,00.
Bij besluit van 30 mei 2023 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 27 september 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 mei 2023 vernietigd en bepaald dat de uitspraak treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 31 oktober 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.G.J. Spiekker, rechtsbijstandsverlener in Amsterdam, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] is tot 2011 getrouwd geweest met zijn ex-partner en zij hebben samen een kind. [appellant] heeft zich op 9 juli 2020 gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft de Dienst Toeslagen verzocht om de toeslagjaren 2008 en 2009 te herbeoordelen.
Besluitvorming
2.       Bij brief van 1 juni 2022 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van [appellant] afgewezen en vastgesteld hij niet in aanmerking komt voor de forfaitaire tegemoetkoming van € 30.000,00 als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: de Wht), ook bekend als de Catshuisregeling. Op grond van deze bepaling komt alleen de aanvrager van kinderopvangtoeslag in aanmerking voor deze compensatieregeling. Omdat [appellant] geen aanvraag voor kinderopvangtoeslag heeft gedaan, wordt hij niet als gedupeerde ouder aangemerkt. De Dienst Toeslagen heeft het door [appellant] daartegen ingestelde bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld bij de rechtbank.
De uitspraak van de rechtbank
3.       De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard omdat de Dienst Toeslagen het bezwaar van [appellant] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het enkele gegeven dat het volgens de Dienst Toeslagen evident is dat [appellant] geen aanspraak kan maken op compensatie, is volgens de rechtbank geen reden om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.
De rechtbank heeft evenwel geoordeeld dat de Dienst Toeslagen terecht heeft beoordeeld of [appellant] in aanmerking komt voor compensatie op grond van artikel 2.1 van de Wht. Uit deze bepaling volgt dat alleen de aanvrager van de kinderopvangtoeslag compensatie kan krijgen. Niet in geschil is dat [appellant] geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen terecht heeft geconcludeerd dat [appellant] geen aanspraak kan maken op compensatie. Artikel 2.1 van de Wht biedt geen ruimte voor een ander oordeel.
[appellant] kan volgens de rechtbank geen geslaagd beroep doen op de hardheidsclausule. Op grond van artikel 9.1 kan van artikel 2.1 van de Wht worden afgeweken, voor zover toepassing daarvan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan in het geval van [appellant] niet gebleken. De omstandigheid dat de ex-partner van [appellant] de kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, maar om haar moverende redenen geen verzoek om herbeoordeling heeft willen doen, is daarvoor onvoldoende. Ook het gegeven dat zij hiertoe inmiddels wel bereid is, maar het doen van een verzoek niet meer mogelijk is omdat het loket per 1 januari 2024 is gesloten, maakt volgens de rechtbank niet dat er sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. [appellant] en zijn ex-partner zijn er meermaals op gewezen dat het aanvragen van kinderopvangtoeslag een voorwaarde is om in aanmerking te komen voor een compensatiebedrag.
Beoordeling van het hoger beroep
4.       Niet in geschil is dat [appellant] geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en dat hij daarom niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de Catshuisregeling. De Afdeling begrijpt het hoger beroep van [appellant] zo dat hij zich op het standpunt stelt dat in zijn geval de hardheidsclausule moet worden toegepast omdat hij in materiële zin gelijk kan worden gesteld met een gedupeerde ouder. Hiertoe voert hij aan dat niet zijn ex-partner maar hij alle financiële gevolgen heeft gedragen van de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag. Het niet honoreren van zijn beroep op de hardheidsclausule zou volgens [appellant] daarom leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. [appellant] wijst erop dat dit voor hem de enige mogelijkheid is om aanspraak te maken op compensatie. Hij heeft namelijk ook geen aanspraak op de ex-partnerregeling die de wetgever nadien heeft vastgesteld in artikel 2.14h van de Wht, omdat ook deze aanspraak afhankelijk is gesteld van het zijn van gedupeerde van de aanvrager van kinderopvangtoeslag. Anders dan bij de ex-partnerregeling, kan hij in deze procedure wel een beroep doen op de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de Wht.
4.1.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien is daarbij niet van doorslaggevend belang. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden.
4.2.    Daargelaten of het feit dat een ex-partner niet in aanmerking komt voor compensatie als de aanvrager van de kinderopvangtoeslag bewust de keuze heeft gemaakt zich niet als gedupeerde te melden aanleiding zou kunnen zijn om de hardheidsclausule toe te passen, heeft [appellant] naar het oordeel van de Afdeling geen (begin van) bewijs overgelegd dat de toepassing van artikel 2.7 van de Wht in zijn geval leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Hiertoe overweegt de Afdeling dat [appellant] geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zijn situatie inderdaad gelijk kan worden gesteld met die van een gedupeerde ouder. Zo heeft [appellant] geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de Dienst Toeslagen de kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 en 2009 (gedeeltelijk) zou hebben teruggevorderd en dat deze terugvordering het gevolg zou zijn geweest van institutioneel vooringenomen handelen. Ook heeft [appellant] geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat niet zijn ex-partner maar hij deze financiële lasten voor zijn rekening heeft genomen.
4.3.    De Afdeling ziet geen aanleiding om [appellant] nogmaals in de gelegenheid te stellen om deze stukken over te leggen. Bij brief van 21 juli 2025 heeft de Afdeling [appellant] gewezen op haar uitspraak van 12 februari 2025 en hem verzocht om zijn beroep op de hardheidsclausule zo duidelijk mogelijk inzichtelijk te maken en de documenten die dit zo concreet mogelijk staven, tijdig in te dienen. Hierop heeft [appellant] aangegeven niet meer over de gevraagde stukken te beschikken.
4.4.    Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
6.       De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025
1064