ECLI:NL:RVS:2025:5980
Raad van State
- Hoger beroep
- W. den Ouden
- B. Meijer
- J.F. de Groot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing compensatie toeslagenaffaire wegens geen kinderopvangtoeslagaanvraag
Appellant, die tot 2011 getrouwd was en samen met zijn ex-partner een kind heeft, meldde zich in 2020 als gedupeerde van de toeslagenaffaire en verzocht om herbeoordeling van de toeslagjaren 2008 en 2009. De Dienst Toeslagen wees zijn aanvraag in 2022 af omdat hij geen kinderopvangtoeslag had aangevraagd, een vereiste voor de forfaitaire compensatie van €30.000 onder de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen de afwijzing ten onrechte niet-ontvankelijk, maar oordeelde dat appellant geen aanspraak kan maken op compensatie omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 2.1 Wht. De rechtbank verwierp ook het beroep op de hardheidsclausule omdat geen onbillijkheid van overwegende aard was aangetoond.
In hoger beroep stelt appellant dat hij feitelijk de financiële lasten heeft gedragen en daarom gelijkgesteld moet worden met een gedupeerde ouder, en dat toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd is. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt echter dat appellant geen bewijs heeft geleverd van schrijnende omstandigheden of dat hij de lasten heeft gedragen. Ook is hij niet in de gelegenheid gesteld om aanvullende stukken te overleggen.
De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de compensatieaanvraag wordt bevestigd.