ECLI:NL:RVS:2025:5985
Raad van State
- Rechtspraak.nl
Derdenbelanghebbendheid bij bestuurlijke boetes en handhavingsverzoeken
Deze conclusie van staatsraad advocaat-generaal Widdershoven gaat over de vraag of en wanneer derden belanghebbende kunnen zijn bij besluiten tot oplegging of weigering van bestuurlijke boetes, in het licht van het belanghebbendebegrip van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De zaak betreft een handhavingsverzoek van FNV tegen een Litouwse transportonderneming wegens overtreding van rij- en rusttijden. De minister van Infrastructuur en Waterstaat legde een bestuurlijke boete op, maar weigerde FNV als belanghebbende aan te merken. De rechtbank Midden-Nederland bevestigde dit, waarna FNV in hoger beroep ging. De Afdeling bestuursrechtspraak vroeg een conclusie over de positie van derden bij boetebesluiten.
De conclusie analyseert uitgebreid de parlementaire geschiedenis, rechtspraak van bestuursrechters, literatuur, strafrechtelijke en unierechtelijke perspectieven. De kern is dat derden belanghebbende kunnen zijn bij besluiten tot weigering of oplegging van bestuurlijke boetes, mits het besluit volgt op een handhavingsverzoek van die derde. Daarbij moeten zij voldoen aan de criteria van artikel 1:2 Awb Pro, met name persoonlijk belang. Rechtspersonen die collectieve of algemene belangen behartigen kunnen ook belanghebbende zijn als zij een handhavingsverzoek hebben gedaan en aan specifieke eisen voldoen.
Het bestraffende karakter van de boete staat niet aan deze belanghebbendheid in de weg. De Awb biedt mogelijkheden om de rechten van de overtreder te beschermen, bijvoorbeeld door geheimhouding van processtukken. De conclusie beantwoordt de vragen van de voorzitter en geeft een gedetailleerde juridische analyse van de positie van derden in bestuursrechtelijke boeteprocedures.
Uitkomst: Derden kunnen belanghebbende zijn bij besluiten tot weigering of oplegging van bestuurlijke boetes als het besluit volgt op hun handhavingsverzoek, mits zij voldoen aan de criteria van artikel 1:2 Awb.