202401435/1/A3.
Datum uitspraak: 10 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 januari 2024 in zaak nr. 20/6 in het geding tussen:
[appellant]
en
het dagelijks bestuur van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (hierna: VGGM).
Procesverloop
Bij besluit van 8 april 2019 heeft de VGGM het verzoek van [appellant] op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) gedeeltelijk ingewilligd.
Bij besluit van 20 november 2019 heeft de VGGM het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluit van 29 maart 2021 heeft de VGGM het besluit van 20 november 2019 gewijzigd.
Bij uitspraak van 18 januari 2024 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 20 november 2019 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 29 maart 2021 ongegrond verklaard. Verder heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De VGGM heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 14 oktober 2025, waar [appellant] en de VGGM, vertegenwoordigd door mr. M.J. Roetert Steenbruggen-Hulshof en mr. D.E.J. Meijers, advocaten in Arnhem, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 12 februari 2019 heeft het Centraal Meldpunt Openbare Geestelijke Gezondheidszorg van de GGD Gelderland-Midden, onderdeel van de VGGM, een versleutelde e-mail van het Meldpunt Bijzondere Zorg van de GGD Gelderland-Zuid ontvangen. De e-mail bevat een melding van het Radboud universitair medisch centrum (hierna: Radboudumc). Uit deze melding blijkt dat het Radboudumc het wenselijk acht dat er contact wordt gezocht met [appellant] om voor hem zorg in te schakelen . De melding bevat persoonsgegevens van [appellant], zoals zijn woonsituatie, zijn woonadres, zijn telefoonnummer en geboortedatum. De GGD Gelderland-Zuid heeft vervolgens de VGGM gevraagd om de melding verder in behandeling te nemen, omdat [appellant] in het werkgebied van de VGGM woont. Op 8 maart 2019 heeft een regisseur van de VGGM vervolgens een dossier van [appellant] aangemaakt in het Cliënt Volg Systeem (hierna: CVS). In dit dossier zijn persoonsgegevens van [appellant] opgenomen, zoals zijn naam, adres, woonplaats, geboortedatum en burgerservicenummer. Op diezelfde datum heeft de regisseur van de VGGM het traject "melding onverzekerden" gestart in het CVS. De regisseur heeft de melding dat [appellant] niet verzekerd zou zijn gecontroleerd bij VECOZO en vervolgens doorgegeven aan een contactpersoon bij de gemeente Lingewaard, de gemeente waar [appellant] woont. Op 14 maart 2019 heeft de regisseur van de VGGM in het CVS het traject ‘bemoeizorg’ gestart. Een zorgmedewerker van het RIBW Arnhem & Veluwe heeft naar aanleiding hiervan contact gezocht met [appellant] en uitgelegd dat er een melding over hem was ontvangen. [appellant] heeft te kennen gegeven dat hij geen zorg wenst te ontvangen. Op 11 april 2019 is daarop het dossier van [appellant] gesloten.
2. Op 25 maart 2019 heeft [appellant] op grond van artikel 15 van de AVG een verzoek om inzage in zijn persoonsgegevens gedaan. Hij heeft om inzage in het besluit verzocht dat voortvloeit uit de aanmelding in het CVS van de Centrale Toegang Arnhem en verzoekt om een kopie van zijn dossier inclusief de loggegevens. Met het besluit van 8 april 2019 heeft de VGGM een kopie van zijn dossier inclusief de loggegevens en een kopie van de gegevensverwerking Centrale Toegang Arnhem verstrekt waarin het doel van de verwerking, de categorieën van personen van wie gegevens worden verwerkt, de categorieën en de ontvangers van persoonsgegevens staan vermeld. Met het besluit van 20 november 2019 heeft de VGGM het besluit van 8 april 2019 gehandhaafd. Met het besluit van 29 maart 2021 heeft de VGGM het besluit van 20 november 2019 gewijzigd. Daarbij heeft de VGGM aan [appellant] een kopie van zijn volledige dossier verstrekt en informatie verstrekt als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e, f, g en h, van de AVG, omdat dit met de eerdere besluiten nog niet was gebeurd.
3. De rechtbank heeft het door [appellant] tegen het besluit van 20 november 2019 ingestelde beroep niet-ontvankelijk en het door [appellant] tegen het besluit van 29 maart 2021 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
4. De relevante wetgeving is opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak.
Hoger beroep
5. [appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Hij heeft zijn standpunten uiteengezet. De Afdeling wijst er op dat uit de artikelen 8:69 en 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet volgt dat zij in haar uitspraak op alle aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan. Hoewel de Afdeling alle argumenten heeft bezien, zal zij zich hierna beperken tot de kern van de door [appellant] naar voren gebrachte gronden. Zoals tijdens de zitting besproken, gaat zijn betoog in de kern over de vraag of de VGGM volledig aan het inzageverzoek van [appellant] heeft voldaan. Ook verzoekt [appellant] om schadevergoeding.
Heeft de VGGM op juiste wijze aan het inzageverzoek van [appellant] voldaan?
Meer stukken
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de VGGM op juiste wijze aan zijn inzageverzoek heeft voldaan. Hij voert hiertoe aan dat de VGGM niet alle hem betreffende persoonsgegevens heeft verstrekt. Zo komt de minimale dataset cliëntproces niet volledig overeen met de door de VGGM verstrekte gegevens. Verder voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de VGGM geen bekostigingsgegevens heeft hoeven verstrekken, omdat aannemelijk zou zijn dat de VGGM deze niet verwerkt. Volgens [appellant] zijn er wel bekostigingsgegevens, omdat in zijn situatie de Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg is toegepast. Daarnaast voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat de VGGM de persoonsgegevens die door VECOZO en GGD GHOR Nederland zijn verwerkt, had moeten verstrekken, omdat de VGGM de verwerkingsverantwoordelijke is van de hem betreffende persoonsgegevens in die systemen. Uit de aansluitovereenkomsten van VECOZO volgt namelijk dat VECOZO de verwerker is en niet de verwerkingsverantwoordelijke. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] hierover aangevoerd dat er meer persoonsgegevens van hem moeten zijn, omdat de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) wordt uitgevoerd via VECOZO. De processen en procedures die aan de overeenkomsten met VECOZO ten grondslag liggen, vallen onder de Wmo. Dit betekent dat er meer relevante gegevens zouden moeten zijn en dat er ruimer moet worden gezocht. Verder heeft GGD GHOR Nederland aan [appellant] te kennen gegeven verwerker te zijn en niet verwerkingsverantwoordelijke. Gelet hierop heeft de VGGM niet alle hem betreffende persoonsgegevens verstrekt, aldus [appellant].
6.1. De Afdeling heeft eerder overwogen, onder meer in de uitspraak van 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:649, dat, als een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene is die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust. 6.2. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] duidelijk gemaakt dat de hogerberoepsgrond over de minimale dataset cliëntproces gelijk is aan de grond over de bekostigingsgegevens.
6.3. De Afdeling overweegt dat de VGGM over de bekostigingsgegevens gemotiveerd heeft gesteld geen persoonsgegevens, anders dan de persoonsgegevens ingevoerd in het CVS, van [appellant] te hebben verwerkt. De rol van de VGGM bij de uitvoering van de Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg is beperkt tot het doorgeven van een bij het Centraal Meldpunt Onverzekerden Zorg van GGD GHOR Nederland binnengekomen ‘onverzekerdenmelding’ aan de contactpersoon van de gemeente waarin de onverzekerde woont. De VGGM heeft van dit telefonisch contact, anders dan de vermelding in het CVS dat het contact heeft plaatsgevonden, geen registratie gemaakt. Ook zijn er verder geen persoonsgegevens verwerkt. Deze door de VGGM gegeven toelichting komt de Afdeling niet ongeloofwaardig voor. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er meer stukken met hem betreffende persoonsgegevens onder de VGGM berusten. Nergens is uit gebleken dat er bekostigingsgegevens zijn bijgehouden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat de VGGM op goede gronden heeft gesteld dat het geen bekostigingsgegevens over [appellant] verwerkt.
6.4. Het betoog slaagt in zoverre niet.
6.5. Voor zover [appellant] aanvoert dat de VGGM verwerkingsverantwoordelijke is van de persoonsgegevens die door VECOZO en GGD GHOR Nederland worden verwerkt en die had moeten verstrekken, overweegt de Afdeling als volgt.
6.6. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de VGGM niet als verwerkingsverantwoordelijke kan worden aangemerkt voor de persoonsgegevens van [appellant] zoals verwerkt door VECOZO en het zogenoemde databuffet Meldpunt Onverzekerden Zorg (hierna: databuffet) van GGD GHOR Nederland. Dit betekent dat de VGGM op goede gronden geen inzage heeft gegeven in de gegevensverwerkingen van deze systemen. Hiertoe overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat de VGGM het doel en de middelen voor de verwerking van de persoonsgegevens in het systeem van VECOZO of het databuffet heeft vastgesteld. De VGGM heeft verder op geen enkele wijze juridische of feitelijke invloed op de manier waarop de systemen door VECOZO en de GGD GHOR Nederland zijn ingericht of worden gebruikt. De VGGM kan de gegevens in de systemen van VECOZO niet raadplegen, wijzigen, verwijderen of anderszins muteren. Dat uit een aansluitovereenkomst zou volgen dat VECOZO als verwerker wordt beschouwd, doet hier niet aan af. Verder overweegt de Afdeling dat de VGGM in 2019 slechts in algemene zin toegang had tot het databuffet. De VGGM heeft in de schriftelijke uiteenzetting gesteld dat zij de meldingen over inwoners, die door het databuffet aan haar werkgebied waren toebedeeld, alleen via conversie naar een Excel-bestand kon bekijken. Het enkele feit dat de VGGM bepaalde gegevens kon inzien en raadplegen, maakt niet dat de VGGM aangemerkt moet worden als verwerkingsverantwoordelijke voor alle verwerkingen in het databuffet. Het betoog slaagt ook voor het overige niet.
Geautomatiseerde besluitvorming
6.7. Verder voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van geautomatiseerde besluitvorming. Hij voert hiertoe aan dat uit het iWmo-berichtenverkeer volgt dat sprake is van geautomatiseerde besluitvorming. De VGGM heeft ten onrechte anders gesteld, aldus [appellant].
6.8. Voor zover [appellant] stelt dat sprake is van geautomatiseerde besluitvorming, overweegt de Afdeling dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit het geval is. De enkele stelling dat gebruik zou zijn gemaakt van het iWmo-berichtenverkeer is daartoe onvoldoende. De VGGM heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting toegelicht dat het iWmo-berichtenverkeer, een gestandaardiseerd systeem van gegevensuitwisseling binnen de Wmo-keten, in dit geval niet is gebruikt. Het iWmo-berichtenverkeer is namelijk bedoeld om cliënten in alle fasen van de Wmo-keten te volgen: van de toewijzing van de zorg tot de daadwerkelijke zorglevering. In dit geval heeft [appellant] in het gesprek met de regisseur OGGZ zelf aangegeven geen enkele vorm van zorg te willen ontvangen. Daarop is het dossier van [appellant] gesloten. Het iWmo-berichtenverkeer is in het geval van [appellant] daarom niet gebruikt. Deze door de VGGM gegeven toelichting op de gang van zaken acht de Afdeling aannemelijk. Niet is gebleken dat de VGGM anderszins ten aanzien van [appellant] geautomatiseerde besluiten heeft genomen.
6.9. Het betoog slaagt niet. Dat betekent dat rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de VGGM alle informatie heeft verstrekt waar [appellant] om heeft verzocht en dus op juiste wijze aan het inzageverzoek op grond van artikel 15 van de AVG heeft voldaan.
Overig
7. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen het besluit van 20 november 2019 niet-ontvankelijk heeft verklaard, overweegt de Afdeling als volgt. De VGGM heeft het besluit van 20 november 2019 vervangen door het besluit van 29 maart 2021. [appellant] heeft niet onderbouwd waarom hij belang heeft bij vernietiging van het besluit van 20 november 2019. Alleen al daarom kan deze grond niet tot vernietiging van de uitspraak leiden. Wat [appellant] voor het overige heeft aangevoerd, kan ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leiden.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. [appellant] heeft ook verzocht om schadevergoeding. Uit de bevestiging van de uitspraak van de rechtbank volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb opgenomen omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling tot schadevergoeding kan worden uitgesproken. Van een inbreuk als bedoeld in artikel 82 van de AVG is ook geen sprake. Daarom zal het verzoek worden afgewezen.
9. De VGGM hoeft de proceskosten niet te vergoeden.
Overschrijding redelijke termijn
10. [appellant] heeft op de zitting de Afdeling verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dit verzoek wijst de Afdeling toe.
10.1. De Afdeling beoordeelt de vraag of de redelijke termijn is overschreden naar de stand van de zaak op het moment van haar uitspraak. Daarbij wordt de duur van de totale procedure in ogenschouw genomen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling vangt de redelijke termijn in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Vergelijk de uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, r.o. 4.9. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren. 10.2. De redelijke termijn die uitgangspunt is voor bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties is in dit geval vier jaar. Bij de berekening wordt uitgegaan van een vergoeding van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij de overschrijding naar boven wordt afgerond.
10.3. De redelijke termijn is gestart vanaf het moment dat het college het bezwaarschrift op 20 mei 2019 heeft ontvangen. Met de uitspraak van heden heeft de totale procedure zes jaar en ruim zes maanden geduurd. De Afdeling is van oordeel dat de vertragingen van [appellant] in de procedure tot een verlenging van de redelijke termijn moet leiden. [appellant] heeft in de bezwaarfase meerdere keren een verzoek om uitstel voor het indienen van de bezwaargronden gedaan. De Afdeling acht gelet hierop een verlenging van de redelijke termijn met vier maanden gerechtvaardigd. Dat betekent dat de redelijke termijn met ruim twee jaar is overschreden. [appellant] komt daarom in aanmerking voor een schadevergoeding ten bedrage van € 2.500,00.
10.4. De Afdeling moet beoordelen in welke mate het overschrijden van de redelijke termijn moet worden toegerekend aan de VGGM, aan de rechtbank en aan de Afdeling. De VGGM heeft in eerste instantie op 20 november 2019 op het bezwaar besloten. Op dat moment was de voor de bezwaarfase geldende redelijke behandelingsduur van een half jaar niet overschreden. Daarbij blijft de tijd tussen 20 mei 2019 en 20 september 2019 buiten beschouwing, omdat de VGGM [appellant] in die periode in de gelegenheid heeft gesteld om zijn bezwaar aan te vullen. Het beroepschrift is op 31 december 2019 door de rechtbank ontvangen. De rechtbank heeft op 18 januari 2024 uitspraak gedaan. Daarmee is de voor de beroepsfase de redelijke behandelingsduur van anderhalf jaar met tweeëneenhalf jaar overschreden. De Afdeling heeft het hogerberoepschrift op 4 maart 2024 ontvangen. Bij de uitspraak van vandaag heeft de Afdeling op het hoger beroep beslist. Daarmee is de voor de hogerberoepsfase geldende redelijke behandelingsduur van twee jaar niet overschreden. De Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) wordt daarom veroordeeld tot vergoeding aan [appellant] van een bedrag van € 2.500,00.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af;
III. wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) om aan [appellant] een schadevergoeding van € 2.500,00 te betalen.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J. Schipper-Spanninga en mr. M.C Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Dijkshoorn
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025
735-1050
BIJLAGE
Algemene verordening gegevensverwerking
Artikel 4: Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
[…];
7) "verwerkingsverantwoordelijke": een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt; wanneer de doelstellingen van en de middelen voor deze verwerking in het Unierecht of het lidstatelijke recht worden vastgesteld, kan daarin worden bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is of volgens welke criteria deze wordt aangewezen;
[…].
Artikel 15: Recht van inzage van de betrokkene
1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:
a) de verwerkingsdoeleinden;
b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens;
c) de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
d) indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
e) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;
f) dat de betrokkene het recht heeft een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
g) wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;
h) het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokken.
[…].
Artikel 82: Schadevergoeding
1. Eenieder die materiele of immateriële schade heeft geleden ten gevolge van een inbreuk op deze verordening, heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker schadevergoeding te ontvangen voor de geleden schade.
2. Elke verwerkingsverantwoordelijke die bij verwerking is betrokken, is aansprakelijk voor de schade die wordt veroorzaakt door verwerking die inbreuk maakt op deze verordening. Een verwerker is slechts aansprakelijk voor de schade die door verwerking is veroorzaakt wanneer bij de verwerking niet is voldaan aan de specifiek tot verwerkers gerichte verplichtingen van deze verordening of buiten dan wel in strijd met de rechtmatige instructies van de verwerkingsverantwoordelijke is gehandeld.
[…].
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:88
1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
a. een onrechtmatig besluit;
b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;
c. het niet tijdig nemen van een besluit;
d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
[…].