ECLI:NL:RVS:2025:6029

Raad van State

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
202505077/2/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • G.T.J.M. Jurgens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 WnbArt. 5.17 WaboArt. 4.23 Invoeringswet OmgevingswetArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen bouwstop varkenshouderij wegens ontbreken natuurvergunning

Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant legde op 29 september 2023 een bouwstop en last onder dwangsom op aan een varkenshouderij vanwege het starten van bouwwerkzaamheden zonder natuurvergunning, in strijd met artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb). Na bezwaar en een latere opheffing van de bouwstop, vernietigde de rechtbank Oost-Brabant dit besluit deels op 5 augustus 2025. De varkenshouderij stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om schorsing van de uitspraak van de rechtbank, zodat de bouwstop en last onder dwangsom weer van kracht zouden worden.

De voorzieningenrechter overwoog dat het verzoek te verstrekkend was voor het gebruik van de stal, aangezien de natuurvergunning was vernietigd en het hoger beroep nog loopt. Voor het hervatten van de bouwwerkzaamheden was onvoldoende spoedeisend belang aangetoond, mede omdat er minder ingrijpende alternatieven waren om bouwmaterialen te beschermen. Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

De uitspraak bevestigt dat bouwwerkzaamheden zonder geldige natuurvergunning niet mogen worden voortgezet en dat de last onder dwangsom en bouwstop gehandhaafd blijven totdat het hoger beroep is beslist. Proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de bouwstop en last onder dwangsom wordt afgewezen.

Uitspraak

202505077/2/R2.
Datum uitspraak: 11 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:
[verzoekster], gevestigd in [woonplaats],
verzoekster,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 5 augustus 2025 in zaak nr. 24/1666, 24/2274 en 24/3772 in het geding tussen:
Stichting Brabantse Milieufederatie (hierna: BMF), gevestigd in Tilburg, en Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Vereniging Leefmilieu (hierna: MOB en Leefmilieu), beide gevestigd te Nijmegen,
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.
Procesverloop
Bij besluit van 29 september 2023 heeft het college een bouwstop opgelegd aan [verzoekster] waarin is gelast om alle bouwwerkzaamheden op het perceel te staken wegens strijd met artikel 2.7 van de Wnb. Ook is in dat besluit gelast om alle bouwwerkzaamheden op het perceel te staken en gestaakt te houden, onder oplegging van een last onder dwangsom van € 25.000,00 per overtreding tot een maximum van € 150.000,00.
Bij besluit van 31 januari 2024 heeft het college het daartegen door [verzoekster] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluit van 3 juli 2024 heeft het college de aan [verzoekster] opgelegde bouwstop van 29 september 2023, met kenmerk D2023-09-026279, opgeheven.
Bij uitspraak van 5 augustus 2025 heeft de rechtbank de door BMF en MOB en Leefmilieu daartegen ingestelde beroepen, voor zover gericht tegen het opheffen van de bouwstop, ongegrond verklaard en voor zover gericht tegen de intrekking van de last onder dwangsom, gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 29 september 2023 in zoverre vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft de varkenshouderij hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 2 december 2025, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], bijgestaan door mr. J. van Groningen, rechtsbijstandverlener in Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door R. van de Ven, zijn verschenen.
Verder zijn op de zitting BMF en MOB en Leefmilieu, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, rechtsbijstandverlener in Den Haag, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
Bij besluit van 29 september 2023 heeft het college aan de varkenshouderij een bouwstop en een last onder dwangsom wegens strijd met artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb), opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) en de Wnb, zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven.
Inleiding
2.       [verzoekster] exploiteert een varkenshouderij aan de [locatie 1] in Oisterwijk. [verzoekster] wil haar varkenshouderij wijzigen door het bouwen van drie nieuwe stallen, het verlengen van een bestaande stal en het slopen van drie bestaande stallen en bedrijfswoning. Ook wil [verzoekster] luchtwassystemen toepassen in bepaalde stallen en een wijziging van de veebezetting. In de stallen worden twee soorten luchtwassystemen toegepast: OW 2009.12.V1 en OW 2010.02.V1. Naar aanleiding van twee handhavingsverzoeken van MOB en Leefmilieu en van BMF, heeft het college aan [verzoekster] een bouwstop opgelegd op grond van artikel 5.17 van de Wabo, omdat is begonnen met bouwwerkzaamheden zonder vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb (hierna: natuurvergunning). In datzelfde besluit heeft het college aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd waarin het de varkenshouderij gelast om de bouwwerkzaamheden aan de nieuwe stal op het perceel aan de [locatie 2] in Heukelom te staken en gestaakt te houden, omdat de bouwwerkzaamheden plaatsvinden zonder natuurvergunning. Bij het overtreden van de bouwstop, verbeurt [verzoekster] per constatering € 25.000,00 met een maximum van € 150.000,00. De bouwstop is opgeheven, omdat volgens het college sprake is van een concreet zicht op legalisatie door de publicatie van de ontwerp-natuurvergunning van 24 april 2024.
Beoordeling van het verzoek
3.       [verzoekster] verzoekt aan de voorzieningenrechter om de uitspraak van de rechtbank te schorsen, zodat de intrekking van de last onder dwangsom weer herleeft. [verzoekster] wil hiermee bereiken dat zij verder mag gaan met bouwwerkzaamheden van een stal. Op de zitting is aangegeven dat [verzoekster] hiermee ook wil bereiken dat zij de stal mag gebruiken.
[verzoekster] is begonnen met de bouwwerkzaamheden en heeft de mestput gerealiseerd en stalen spanten geplaatst. Het stilleggen van de bouwwerkzaamheden leidt ertoe dat diverse bouwmaterialen worden blootgesteld aan de weersomstandigheden en worden aangetast volgens [verzoekster]. Ter onderbouwing verwijst [verzoekster] naar een toelichting van de aannemer die de stal bouwt. Uit de toelichting volgt dat volgens de aannemer deze aantasting wordt voorkomen wanneer de bouwonderdelen in de stal mogen worden gebouwd en een dak wordt geplaatst. Hierdoor wordt de stal weer- en winddicht.
4.       Voor zover het verzoek ziet op het mogen gebruiken van de stal, nadat de bouwwerkzaamheden zijn afgerond, overweegt de voorzieningenrechter dat dit verzoek te verstrekkend is. De voorliggende zaak gaat alleen over de uitspraak van de rechtbank op het besluit van het college tot het opheffen van de eerder opgelegde bouwstop en last onder dwangsom strekkende tot het staken en gestaakt houden van bouwwerkzaamheden, omdat zonder natuurvergunning is begonnen met bouwen. De natuurvergunning is inmiddels verleend en door de rechtbank vernietigd in haar uitspraak van 5 augustus 2025. Het hoger beroep tegen deze uitspraak is bij de Afdeling aanhangig onder zaaknummer 202505076/1/R2. Het bovenstaande betekent dat zelfs bij het toewijzen van het verzoek van [verzoekster], waardoor het besluit van 3 juli 2024 weer herleeft, de stal niet gebruikt mag worden omdat de natuurvergunning is vernietigd.
5.       Voor zover het verzoek ziet op het mogen hervatten van de bouwwerkzaamheden, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Op de zitting is met partijen besproken of er minder vergaande manieren zijn om het bouwmateriaal te behouden, dan het hervatten van de bouwwerkzaamheden. [verzoekster] heeft weliswaar gesteld dat het niet mogelijk is om de bouwmaterialen op te slaan of af te dekken en dat er ook geen andere mogelijkheden zijn die minder vergaand zijn dan wat zij verzoekt, maar de voorzieningenrechter is hier niet van overtuigd. De voorzieningenrechter begrijpt dat het plaatsen van het bouwmateriaal in de stalconstructie efficiënter zou zijn als uiteindelijk de stal kan worden vergund, dan het afdekken of opslaan van materialen, maar dit maakt niet dat er geen andere mogelijkheden zijn die minder verstrekkend zijn dan het verder bouwen van een stal terwijl een last onder dwangsom is opgelegd om dat te staken en de intrekking daarvan is vernietigd. Daarom ziet de voorzieningenrechter, gelet op de betrokken belangen, in het verzoek geen onverwijlde spoed die tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening noopt. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Pistoor, griffier.
w.g. Jurgens
voorzieningenrechter
w.g. Pistoor
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025
932