ECLI:NL:RVS:2025:6037

Raad van State

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
202402502/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing aanvraag document rechtmatig verblijf gemeenschapsonderdaan

In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen de afwijzing van een aanvraag door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid voor een document dat rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan bevestigt. De aanvraag werd op 8 juli 2021 afgewezen. De betrokkene, vertegenwoordigd door mr. D. Brouwer, heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard door de staatssecretaris op 2 juni 2022, met een aanvulling op 21 juni 2023. De rechtbank Den Haag heeft op 27 maart 2024 het beroep van de betrokkene gegrond verklaard en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. De staatssecretaris en de betrokkene hebben hiertegen hoger beroep ingesteld.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de hoger beroepen behandeld en geconcludeerd dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat de hoger beroepen ongegrond zijn. De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die de betrokkene heeft gemaakt in verband met het hoger beroep, tot een bedrag van € 907,00, dat geheel toe te rekenen is aan beroepsmatige rechtsbijstand. De uitspraak is gedaan door een collegiaal trio van rechters, met mr. H.G. Sevenster als voorzitter, en is openbaar uitgesproken op 12 december 2025.

Uitspraak

202402502/1/V2.
Datum uitspraak: 12 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1.       [betrokkene],
2.       de minister van Asiel en Migratie,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­Hertogenbosch, van 27 maart 2024 in zaak nr. NL22.11072 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 8 juli 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 2 juni 2022, aangevuld op 21 juni 2023, heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 maart 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben betrokkene, vertegenwoordigd door mr. D. Brouwer, advocaat in Amsterdam, en de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Betrokkene heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       De hoger beroepen leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 6.4, 6.7, 7.3.2, 7.4.2 en 7.5.2 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de hogerberoepschriften geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       De hoger beroepen zijn ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden voor het indienen van een schriftelijke uiteenzetting.
3.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Lodeweges
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025
625