AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf op grond van vreemdelingenrecht
Bij besluit van 28 maart 2024 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van appellanten voor een machtiging tot voorlopig verblijf af. Appellanten maakten bezwaar tegen dit besluit, dat op 5 maart 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellanten beroep in bij de rechtbank, die op 8 juli 2025 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellanten gingen hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zij voerden onder meer aan dat de minister op grond van het Genocideverdrag verplicht zou zijn een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen. De Afdeling oordeelde echter dat artikel 1 vanPro het Genocideverdrag geen rechtstreekse werking heeft en appellanten geen geslaagd beroep op deze bepaling kunnen doen.
De overige grieven van appellanten werden eveneens verworpen, waarbij de Afdeling de motivering van de rechtbank overnam. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de minister werd niet verplicht proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf bevestigd.
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 8 juli 2025 in zaak nr. 25/7820 in het geding tussen:
[de betrokkenen]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 28 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellanten een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 5 maart 2025 heeft de minister het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. N.B. Swart, advocaat in Groningen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De eerste grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat de minister niet op grond van het Genocideverdrag verplicht is om aan appellanten een machtiging tot voorlopig verblijf af te geven, ook omdat artikel 1 vanPro het Genocideverdrag geen rechtstreekse werking heeft. De in artikel 1 vanPro het Genocideverdrag omschreven inspanningsverplichting om genocide te voorkomen, is namelijk niet onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te kunnen worden toegepast. Appellanten kunnen daarom geen geslaagd beroep doen op deze bepaling. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1716, onder 3.2, en het arrest van de Hoge Raad van 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1223, onder 3.7.3.
2. Ook de tweede en de derde grief leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 8 en 10 van de uitspraak van de rechtbank over.
2.1 Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat die grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.