ECLI:NL:RVS:2025:6063

Raad van State

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
202404753/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake de afwijzing van een verblijfsvergunning voor betrokkene met Vietnamese nationaliteit

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, die op 11 juli 2024 een eerder besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft vernietigd. De staatssecretaris had op 25 november 2022 een aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Betrokkene, die sinds 1979 in Nederland verblijft en de Vietnamese nationaliteit heeft, had bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing, maar dit bezwaar werd op 8 juni 2023 door de staatssecretaris ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom betrokkene een gevaar voor de openbare orde zou zijn, en dat nieuwe feiten en omstandigheden, zoals het DT&V-advies dat betrokkene niet kan terugkeren naar Vietnam, niet waren meegewogen.

De minister ging in hoger beroep, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling oordeelde dat de minister niet had aangetoond dat het tijdsverloop sinds de laatste veroordeling van betrokkene geen aanleiding gaf om van het beleid af te wijken. De minister had ook het DT&V-advies niet als bijzondere omstandigheid meegewogen, wat volgens de rechtbank een motiveringsgebrek opleverde. De Afdeling vernietigde het besluit van de minister van 11 december 2024, waarin het bezwaar opnieuw ongegrond was verklaard, en droeg de minister op om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

202404753/1/V3.
Datum uitspraak: 16 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 11 juli 2024 in zaak nr. NL23.16873 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 25 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 8 juni 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen twaalf weken na de verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van die uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. C.T.W. van Dijk, advocaat in Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 11 december 2024 heeft de minister het tegen het besluit van 25 november 2022 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroepschrift ter behandeling aan de Afdeling doorgezonden.
Overwegingen
Inleiding
1.       Betrokkene heeft de Vietnamese nationaliteit en verblijft sinds 1979 in Nederland. Hij kreeg in 2001 een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Bij besluit van 13 januari 2017 heeft de minister deze vergunning met terugwerkende kracht tot 1 februari 1997 ingetrokken. Dit besluit staat in rechte vast. Op 14 juni 2022 heeft de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: de DT&V) het zwaarwegende advies gegeven dat betrokkene buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken (hierna: het DT&V-advies). De DT&V heeft de minister verzocht om over te gaan tot verlening van een buitenschuldvergunning conform paragraaf B8/4 van de Vc 2000. Op 18 augustus 2022 heeft betrokkene een aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’ te verlenen. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat zij betrokkene als een gevaar voor de openbare orde beschouwt. Betrokkene is namelijk onherroepelijk veroordeeld voor meerdere misdrijven.
2.       Het wettelijk kader en het beleid zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
De uitspraak van de rechtbank
3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van 8 juni 2023 niet berust op een deugdelijke motivering. Zij heeft overwogen dat de beoordeling of sprake is van een gevaar voor de openbare orde moet plaatsvinden aan de hand van de feiten en omstandigheden op het moment van besluitvorming. Nieuwe feiten die zich na eerdere veroordelingen hebben voorgedaan, moeten worden meegewogen. Het standpunt van de minister dat het, gelet op het aantal gepleegde misdrijven, niet uitmaakt hoe lang geleden betrokkene voor het laatst is veroordeeld, is volgens de rechtbank onjuist.
3.1.    De rechtbank heeft verder overwogen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 8 juni 2023 niet in stand kunnen blijven, omdat de minister bij de evenredigheidsbeoordeling onvoldoende het DT&V-advies heeft meegewogen waaruit blijkt dat betrokkene niet kan terugkeren naar Vietnam. Ook dit levert een motiveringsgebrek op.
Het hoger beroep
4.       In haar eerste grief klaagt de minister over het oordeel van de rechtbank dat zij in haar besluit van 8 juni 2023 geen rekening heeft gehouden met de op dat moment bekende feiten en omstandigheden, en dat de motivering van het besluit daarom tekortschiet. De minister betoogt dat zij onder verwijzing naar het relevante beleid in paragraaf B1/4.4 van de Vc 2000 heeft beoordeeld of betrokkene een gevaar voor de openbare orde is. Vervolgens heeft de minister niet volstaan met de vaststelling dat sprake is van een veelvoud aan veroordelingen, maar heeft zij alle aangevoerde en op het moment van het besluit bekende feiten en omstandigheden betrokken bij de beoordeling.
4.1.    Uit artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000, gelezen in samenhang met paragraaf B1/4.4 van de Vc 2000, volgt dat strafrechtelijke veroordelingen, wanneer gevaar voor de openbare orde als weigeringsgrond wordt toegepast, niet verjaren als sprake is van meerdere gepleegde misdrijven. De minister mocht zich in beginsel dan ook op het standpunt stellen dat de door betrokkene gepleegde misdrijven reden blijven voor de afwijzing van de aanvraag, ondanks het tijdsverloop. Hoewel de klacht in zoverre terecht is voorgedragen, leidt de grief niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk wel terecht overwogen dat de minister niet heeft mogen volstaan met een verwijzing naar haar beleidsregel. De minister heeft nagelaten te beoordelen of het tijdsverloop sinds de veroordelingen aanleiding geeft om van de beleidsregels in paragraaf B1/4.4 van de Vc 2000 af te wijken. Uit de uitspraak van 14 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4652, onder 3 en 3.1 en de uitspraak van 26 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2384, onder 3.2, volgt namelijk dat een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op grond van een discretionaire bevoegdheid die is ingevuld met beleidsregels, zoals de afwijzing van de aanvraag van betrokkene, moet nagaan of de toepassing van het beleid voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot met de beleidsregels te dienen doelen (artikel 4:84 van de Awb). Zoals onder 3.1 van de uitspraak van 14 december 2023 is overwogen, moet de minister beoordelen of het tijdsverloop sinds de veroordelingen aanleiding geeft om af te wijken van de beleidsregels in paragraaf B1/4.4 van de Vc 2000. Deze beoordeling ontbreekt in het besluit van 8 juni 2023. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het besluit niet berust op een deugdelijke motivering.
4.2.    De grief faalt.
5.       In haar tweede grief betoogt de minister dat de rechtbank in de nadere toelichting bij het besluit in haar verweerschriften en ter zitting ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om het beroep ongegrond te verklaren, althans de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Volgens paragraaf B8/4.1 van de Vc 2000 hoeft de minister geen advies van de DT&V te vragen indien sprake is van een gevaar voor de openbare orde. Hieruit volgt volgens de minister dat, als een vreemdeling een gevaar is voor de openbare orde, het niet ter zake doet of hij wel of niet Nederland kan verlaten. Betrokkene is veroordeeld voor meerdere ernstige delicten, en valt dus onder de categorie vreemdelingen voor wie geen ambtsbericht van de DT&V gevraagd hoeft te worden. Dat de DT&V in zijn geval wel heeft vastgesteld dat hij buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten, doet in zijn geval dus niet ter zake en kan daarom ook geen bijzondere omstandigheid zijn om af te wijken van het beleid in paragraaf B1/4.4 van de Vc 2000, aldus de minister. De rechtbank heeft volgens de minister dus ten onrechte overwogen dat zij had moeten meewegen dat betrokkene niet kan terugkeren naar Vietnam.
5.1.    Dit betoog faalt. De Afdeling wijst erop dat de minister bij de toepassing van beleid, mede gelet op artikel 4:84 van de Awb, de evenredigheid in het concrete geval dient te beoordelen. De minister mag zich daarbij niet beperken tot de vraag of bepaalde omstandigheden al zijn verdisconteerd in de beleidsregel. Zie de uitspraak van 14 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4652, onder 3. De minister heeft ten onrechte het DT&V-advies niet aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die aanleiding zou kunnen geven om af te wijken van paragraaf B1/4.4 van de Vc 2000. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister de omstandigheid van het niet kunnen terugkeren in het kader van de evenredigheidsbeoordeling moet meewegen. Hoewel volgens paragraaf B8/4.1 van de Vc 2000 geen advies van de DT&V hoeft te worden gevraagd, had de minister, omdat het DT&V-advies wel opgesteld is, moeten motiveren waarom van dit advies wordt afgeweken. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom in de evenredigheidsbeoordeling geen betekenis is toegekend aan het gegeven dat betrokkene niet kan terugkeren naar Vietnam en in Nederland zal blijven verblijven. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister in het besluit van 8 juni 2023 niet voldoende is ingegaan op de gevolgen van het feit dat betrokkene Nederland niet kan verlaten, noch op de vraag in hoeverre het belang van de openbare orde daadwerkelijk is gediend met het weigeren van een verblijfsvergunning aan een vreemdeling die daardoor zonder werk en zonder aanspraak op voorzieningen illegaal in Nederland moet verblijven. De Afdeling wijst er ook op dat de minister in het besluit van 8 juni 2023 niet voldoende is ingegaan op het langdurig, grotendeels rechtmatig, verblijf van betrokkene in Nederland en het tijdsverloop van meerdere jaren sinds de laatste veroordeling.
5.2.    Voor zover de minister betoogt dat zij het advies van de DT&V wel heeft betrokken bij de belangenafweging die zij op grond van artikel 8 van het EVRM heeft gemaakt, blijkt dit niet uit het dossier. In het besluit van 8 juni 2023 wordt het DT&V-advies niet expliciet benoemd bij die belangenafweging en ook in de verweerschriften van 2 oktober 2023 en 16 april 2024 is het niet deugdelijk gemotiveerd in die afweging betrokken.
5.3.    De grief faalt.
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Het besluit van 11 december 2024
7.       De Afdeling beoordeelt nu het beroep tegen het besluit van 11 december 2024 (artikel 6:19, eerste lid, samen met artikel 6:24 van de Awb).
8.       De minister heeft het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. In de evenredigheidsbeoordeling heeft zij wederom de vaststelling van de DT&V dat betrokkene buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten, niet aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die aanleiding zou kunnen geven om af te wijken van paragraaf B1/4.4 van de Vc 2000. Gelet op wat de Afdeling hiervoor onder 5.1 heeft overwogen, slaagt het beroep op dit punt.
9.       Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit van 11 december 2024. Voor het nemen van een nieuw besluit zal de Afdeling een nieuwe termijn stellen van twaalf weken (artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb). De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       verklaart het beroep tegen het besluit van 11 december 2024, V-[...], gegrond;
III.      vernietigt dat besluit;
IV.      draagt de minister van Asiel en Migratie op om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
V.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.814,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI.      bepaalt dat van de minister van Asiel en Migratie een griffierecht van € 559,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025
846-1102
BIJLAGE - Het wettelijk kader en het beleid
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:84
Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Vreemdelingenbesluit 2000
Artikel 3.77
1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan op grond van artikel 16, eerste lid, onder d, van de Wet worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien:
[…]
c) de vreemdeling terzake van een misdrijf is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of onvoorwaardelijke jeugddetentie, tot een onvoorwaardelijke maatregel als bedoeld in artikel 37a, 38m of 77h, vierde lid, onder a of b, van het Wetboek van Strafrecht, tot een taakstraf of tot een onvoorwaardelijke geldboete, dan wel indien hij terzake van misdrijf een transactieaanbod heeft aanvaard of jegens hem een strafbeschikking is uitgevaardigd.
[…]
Vc 2000
Paragraaf B1/4.4
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning wegens gevaar voor de openbare orde af als de vreemdeling wegens een misdrijf:
•        […]
•        een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een vrijheidsontnemende maatregel, onvoorwaardelijke jeugddetentie, een onvoorwaardelijke maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige, onvoorwaardelijke TBS, onvoorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders of een onvoorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;
•        […]
[…]
Paragraaf B8/4.1
De IND verleent op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef onder a, Vb, ambtshalve of op aanvraag, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een vreemdeling die zonder resultaat heeft geprobeerd uit Nederland te vertrekken. Dit blijkt uit een ambtsbericht met positief zwaarwegend advies van de DT&V waarin wordt vermeld dat sprake is van een buitenschuldsituatie.
De voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning zijn:
1.       er bestaat geen redelijke twijfel over de identiteit en nationaliteit of staatloosheid van de vreemdeling;
2. de vreemdeling heeft de DT&V om bemiddeling verzocht ten behoeve van zijn vertrek uit Nederland of het verkrijgen van een (vervangend) reisdocument bij de autoriteiten van zijn land van herkomst of een ander land waarvan op basis van het geheel van feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat hem daar toegang zal worden verleend, en deze bemiddeling heeft niet het gewenste resultaat opgeleverd;
3. de vreemdeling heeft naar het oordeel van de DT&V in houding en gedrag laten zien dat hij wil terugkeren naar zijn land van herkomst of een ander land waarvan op basis van het geheel van feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat hem daar toegang zal worden verleend, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat hij zich heeft gehouden aan de afspraken die de DT&V met hem heeft gemaakt gedurende de bemiddelingsprocedure; en
4. op het moment van beslissen is er geen sprake van een lopende procedure in het kader van een aanvraag voor een verblijfsvergunning en voldoet de vreemdeling niet aan de voorwaarden voor verlening van een andere verblijfsvergunning.
[…]
De IND wijst de aanvraag af zonder dat de DT&V om een ambtsbericht is verzocht, wanneer hij over voldoende gegevens beschikt om te beoordelen dat niet aan de voorwaarden van het buitenschuldbeleid wordt voldaan. Daarvan is in ieder geval sprake als:
•        er redelijke twijfel bestaat over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling (en dit reeds in voorgaande procedures in rechte is komen vast te staan);
•        openbare-orde-aspecten op voorhand in de weg staan aan verlening van een verblijfsvergunning op grond van buitenschuld;
•        de vreemdeling zich niet met een bemiddelingsverzoek tot de DT&V heeft gewend; of
•        er nog een procedure loopt in het kader van een aanvraag voor een verblijfsvergunning op een andere verblijfsgrond.
[…]