AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening tegen opheffing vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie legde op 11 december 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan een vreemdeling. De rechtbank Den Haag verklaarde op 8 januari 2025 het beroep van de vreemdeling gegrond, oordeelde dat de maatregel onrechtmatig was vanwege de omstandigheden in het Justitieel Complex Schiphol en beval opheffing van de maatregel met ingang van die datum, inclusief toekenning van schadevergoeding.
De minister stelde tegen deze uitspraak hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen. Dit om te voorkomen dat de uitspraak van de rechtbank direct zou worden uitgevoerd, omdat dit volgens de minister zou leiden tot onomkeerbare gevolgen voor het grensbewakingsbeleid.
De voorzieningenrechter overwoog dat hoewel de vrijheidsontnemende maatregel ingrijpend is voor de vreemdeling, het belang van de minister bij grensbewaking zwaarder weegt onder de gegeven omstandigheden. Daarom werd de voorlopige voorziening toegewezen, waardoor de maatregel gehandhaafd blijft totdat het hoger beroep is beslist. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen waardoor de vrijheidsontnemende maatregel gehandhaafd blijft totdat het hoger beroep is beslist.
Uitspraak
202500141/2/V3.
Datum uitspraak: 9 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 januari 2025 in zaak nr. NL24.51776 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 11 december 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 8 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 8 januari 2025 bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek van de minister, maar heeft geen reactie ontvangen.
Overwegingen
Het oordeel van de rechtbank
1. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrijheidsontnemende maatregel van begin af aan onrechtmatig is geweest door de omstandigheden in het Justitieel Complex Schiphol (hierna: JCS), zowel wat betreft de inrichting van het gebouw als het regime en de daarbij toegepaste dwang. Daarom heeft de rechtbank de minister bevolen de maatregel op te heffen.
Het verzoek van de minister
2. De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist. Daarbij beroept hij zich op het grensbewakingsbelang. De minister betoogt dat de rechtbankuitspraken een dusdanig algemene strekking hebben, dat afwijzing van zijn verzoeken met zich brengt dat hij genoodzaakt zal zijn om per direct alle vreemdelingen die krachtens de Vw 2000 in het JCS verblijven, in vrijheid te stellen. Omdat hen daarmee de toegang tot het Schengengebied zal moeten worden verleend, leidt dat volgens de minister tot onomkeerbare gevolgen.
Beoordeling
3. Hoewel de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel voor de vreemdeling ingrijpend is, komt onder de gegeven omstandigheden een zwaarder gewicht toe aan het door de minister ingeroepen grensbewakingsbelang. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.
4. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vrijheidsontnemende maatregel niet hoeft te worden opgeheven totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.