ECLI:NL:RVS:2025:6116

Raad van State

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
202504001/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag financiële ondersteuning uit het Profileringsfonds door het College van Bestuur van de Rijksuniversiteit Groningen

Op 17 december 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak tussen een studente van de Rijksuniversiteit Groningen en het College van Bestuur (CvB) van deze universiteit. De studente, die de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid volgt, had op 10 december 2024 een aanvraag ingediend voor financiële ondersteuning uit het Profileringsfonds, ter compensatie van studievertraging die zij had opgelopen in het studiejaar 2023-2024. Het CvB heeft deze aanvraag op 20 februari 2025 afgewezen, waarna de studente bezwaar maakte. Dit bezwaar werd op 3 juni 2025 ongegrond verklaard, wat leidde tot het beroep bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat het CvB terecht had vastgesteld dat de studente in het studiejaar 2023-2024 geen studievertraging had opgelopen, omdat zij 60 ECTS had behaald, wat overeenkomt met de nominale studielast. De studente betoogde dat zij door persoonlijke omstandigheden, waaronder een depressie, niet in staat was om haar studie tijdig af te ronden. De Raad van State concludeerde echter dat de regeling voor financiële ondersteuning niet bedoeld is om studievertraging uit voorgaande jaren te compenseren. De Afdeling oordeelde dat het CvB zich terecht op het standpunt had gesteld dat er geen recht op financiële tegemoetkoming bestond, en verklaarde het beroep ongegrond. De uitspraak benadrukt de noodzaak voor studenten om tijdig aanvragen voor financiële ondersteuning in te dienen als zij studievertraging ondervinden door bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

202504001/1/A2.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het College van Bestuur van de Rijksuniversiteit Groningen (hierna: het CvB),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 20 februari 2025 heeft het Hoofd Bestuurlijke en Juridische Zaken, namens het CvB, de aanvraag van [appellant] om financiële ondersteuning uit het Profileringsfonds afgewezen.
Bij beslissing van 3 juni 2025 heeft het CvB het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CvB heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 11 november 2025.  [appellant] en het CvB, vertegenwoordigd door mr. M.E.A. Donkersloot, hebben door middel van een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] volgt de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid (hierna: de opleiding) aan de Rijksuniversiteit Groningen. Op 10 december 2024 heeft zij een aanvraag voor financiële ondersteuning uit het Profileringsfonds ingediend ter compensatie van de door haar opgelopen studievertraging in het studiejaar 2023-2024.
Besluitvorming
2.       Het CvB heeft het bezwaar van [appellant] tegen de afwijzing van haar aanvraag ongegrond verklaard en daaraan het advies van de Geschillenadviescommissie van 22 april 2025 ten grondslag gelegd. In dat advies is onder meer het volgende vermeld. Op grond van artikel 5, tweede lid, van de Regeling Profileringsfonds RUG 2023-2024 (hierna: de Regeling) moet bij de berekening van de studievertraging worden uitgegaan van een studielast van 60 ECTS. Omdat [appellant] in het studiejaar 2023-2024 60 ECTS heeft behaald, is er geen sprake van een studievertraging als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Regeling. Het CvB heeft daarom geen financiële ondersteuning aan [appellant] toegekend.
Het beroep
Beroepsgronden
3.       [appellant] betoogt dat het CvB zich in het beslissing van 3 juni 2025 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij geen studievertraging heeft opgelopen. Zij heeft weliswaar 60 ECTS gehaald, maar daarvan zien 15 ECTS op vakken uit het tweede jaar. Zij had in het studiejaar 2023-2024 75 ECTS moeten behalen om de opleiding in dat studiejaar af te kunnen ronden. Doordat zij 15 ECTS mist, kan zij de opleiding pas in het studiejaar 2024-2025 afronden. [appellant] betoogt verder dat het CvB in haar geval van de Regeling had moeten afwijken. Zij is namelijk gedurende een half jaar depressief geweest. Vanwege haar depressie heeft zij twee vakken uit het derde leerjaar niet gehaald, ondanks dat zij daarvoor hard heeft gewerkt. Als die persoonlijke omstandigheden er niet waren, had ze de gemiste 15 ECTS wel gehaald.
Juridisch kader
4.       Artikel 2 van de Regeling luidt:
"De RUG verleent financiële ondersteuning op grond van het Profileringsfonds aan de student die studievertraging heeft opgelopen door bijzondere omstandigheden, en die:
- staat ingeschreven voor een voltijds opleiding aan de RUG waarvoor aan hem nog geen graad is verleend, en
- het verschuldigd wettelijk of instellingscollegegeld heeft betaald aan de RUG."
4.1.    Artikel 5, tweede lid, van de Regeling luidt:
"Voor de berekening van de studievertraging wordt uitgegaan van de nominale studielast van 60 ECTS, waarbij alle behaalde ECTS worden meegerekend, ongeacht voor welke opleiding deze zijn behaald. Ook de ECTS behaald in het kader van het Honours College of ECTS behaald bij een andere opleiding alsmede extracurriculaire ECTS tellen mee bij de berekening van de studievertraging."
4.2.    Artikel 13 van de Regeling luidt:
"Een verzoek om financiële ondersteuning kan in voorkomende gevallen worden ingewilligd, indien afwijzing daarvan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard."
4.3.    Artikel 14 van de Regeling luidt:
"In bijzondere gevallen kan het College van Bestuur afwijken van hetgeen in deze regeling is bepaald."
Beoordeling van het beroep
5.       De Afdeling overweegt dat het CvB zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] in het studiejaar 2023-2024 geen studievertraging heeft opgelopen in de zin van artikel 5, tweede lid, van de Regeling. Bij de berekening van de studievertraging moet worden uitgegaan van een studielast van 60 ECTS per studiejaar. Het is daarbij niet relevant hoe die studielast wordt ingevuld. Niet in geschil is dat [appellant] in het studiejaar 2023-2024 60 ECTS heeft behaald. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het CvB zich in het beslissing van 3 juni 2025 terecht op het standpunt gesteld dat [appellant] daarom in beginsel geen recht heeft op een financiële tegemoetkoming.
5.1.    Hoewel het teleurstellend is voor [appellant] dat zij haar opleiding wegens persoonlijke omstandigheden niet heeft kunnen afronden in het studiejaar 2023-2024, heeft het CvB zich terecht op het standpunt gesteld dat van een onevenredige hardheid niet is gebleken. Het CvB heeft toegelicht dat [appellant] in de studiejaren 2021-2022 (50 ECTS) en 2022-2023 (55 ECTS) niet nominaal heeft gestudeerd. [appellant] was voornemens de studievertraging in te lopen en in het studiejaar 2023-2024 75 ECTS te behalen. Dat is meer dan de nominale studielast. Dat het [appellant] wegens persoonlijke omstandigheden niet is gelukt om de studievertraging in te lopen, is geen reden om van de regeling af te wijken en [appellant] alsnog een financiële compensatie toe te kennen. De regeling is immers niet bedoeld om studievertraging uit voorgaande studiejaren financieel te compenseren. Als [appellant] door bijzondere omstandigheden in voorgaande studiejaren studievertraging heeft opgelopen, dan had zij destijds een aanvraag om financiële ondersteuning uit het Profileringsfonds kunnen indienen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6.       Het beroep is ongegrond.
7.       Het CvB hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Engele, griffier.
w.g. Van Altena
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Engele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
1033