202407373/1/A2.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 oktober 2024 in zaak nr. 23/7904 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 1 maart 2023 heeft de minister een aanvraag van [appellante] om terugbetaling van een door haar afgeloste schuld afgewezen.
Bij besluit van 16 oktober 2023 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. J. Nieuwstraten, advocaat in Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en
[gemachtigde B], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] is een erkende gedupeerde van de toeslagenaffaire. Op 5 juli 2021 is op grond van de zogenoemde Catshuisregeling een compensatiebedrag van € 30.000,00 op haar rekening bij de ABN AMRO Bank (hierna: de bank) gestort. Daarmee is een schuld van € 4.906,59 (hierna: de schuld), die zij op dat moment op die rekening had, afgelost en is een positief saldo ontstaan.
2. In hoofdstuk 4 van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: de Wht) is vastgelegd onder welke voorwaarden een gedupeerde van de toeslagenaffaire in aanmerking kan komen voor het overnemen en betalen van private schulden. In artikel 4.3 van de Wht is een regeling opgenomen voor compensatie van al afgeloste private schulden. Deze bepaling houdt in dat, kort gezegd en voor zover hier van belang, een private schuld die is betaald na ontvangst van een bedrag op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht, bijvoorbeeld de toekenning van een geldbedrag als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht, in aanmerking komt voor vergoeding, als de afgeloste schuld, wanneer deze niet was voldaan, op grond van de Wht zou zijn overgenomen.
3. Op grond van artikel 4.1 van de Wht neemt de minister een geldschuld, als bedoeld in het eerste lid, over, indien is voldaan aan de in het tweede lid gestelde voorwaarden dat deze schuld:
a. is ontstaan na 31 december 2005;
b. vóór 1 juni 2021 opeisbaar was; en
c. niet is voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
4. De minister heeft geweigerd de schuld terug te betalen aan [appellante], omdat de schuld bij de bank niet, vanwege betalingsachterstanden, vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden.
Uitspraak van de rechtbank
5. Volgens de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de schuld niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar was, zodat er geen aanleiding was om de schuld over te nemen. Zij heeft daartoe, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.
Uit de algemene voorwaarden van de kredietovereenkomst tussen [appellante] en de bank blijkt dat de vordering alleen opeisbaar wordt in het geval [appellante] twee termijnbedragen niet heeft betaald en betaling ook na het versturen van een schriftelijke ingebrekestelling uitblijft. Daarvan is niet gebleken. Uit de brief van 8 april 2021, met daarin de mededeling dat het krediet van [appellante] stapsgewijs wordt afgebouwd, kan niet worden afgeleid dat de schuld opeisbaar is geworden. De schuld is ook niet opeisbaar geworden op het moment dat de bank de schuld heeft verrekend met het door [appellante] ontvangen compensatiebedrag in verband met de zogenoemde Catshuisregeling. In artikel 4.3, vijfde lid, van de Wht is immers bepaald dat de hoogte van de compensatie voor een afgeloste geldschuld gelijk is aan het bedrag dat de aanvrager van de compensatie heeft afgelost aan opeisbare schulden. Daaruit volgt dat alleen die schulden worden gecompenseerd die op het moment van betalen al opeisbaar waren. Aan dit vereiste is in dit geval niet voldaan.
De rechtbank heeft verder overwogen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die het beroep op de hardheidsclausule doen slagen.
Hoger beroep
6. [appellante] blijft bij het standpunt dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. Volgens haar volgt dat uit het enkele feit dat de bank de schuld direct heeft geïncasseerd nadat het compensatiebedrag op de rekening was gestort. Dat in de brief van 8 april 2021 niet uitdrukkelijk is vermeld dat de schuld opeisbaar was, wil niet zeggen dat de schuld niet op andere gronden opeisbaar was. Volgens [appellante] heeft de bank de schuld feitelijk opgeëist.
6.1. Dit betoog is een herhaling van wat [appellante] in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is hier gemotiveerd op ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.1 tot en met 6.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Overigens zou de situatie voor [appellante] niet anders zijn geweest als het compensatiebedrag niet op de rekening bij de bank was gestort, maar op een andere rekening, waardoor aflossing van de schuld achterwege was gebleven. In dat scenario zou zij nog steeds gehouden zijn geweest om de schuld bij de bank vroeg of laat af te lossen, en zou deze schuld niet voor compensatie in aanmerking zijn gekomen, omdat geen sprake is geweest van opeisbaarheid in de relevante periode. Dat betekent dat [appellante], anders dan zij op de zitting heeft aangevoerd, in financiële zin niet is benadeeld door het feit dat het compensatiebedrag op de rekening bij de bank is gestort.
7. [appellante] doet een beroep op de hardheidsclausule. Zij voert daartoe aan dat uit de memorie van toelichting bij de Wht niet blijkt dat de wetgever heeft voorzien dat bankinstellingen zonder toestemming en medeweten van de rekeninghouder bedragen innen en de tegoeden op de desbetreffende rekening daardoor niet meer opneembaar zijn. Als zij had geweten dat de bank de schuld zou innen, dan had zij het compensatiebedrag niet op een rekening van de bank laten storten.
7.1. Degene die een beroep op de hardheidsclausule doet, moet in ieder geval inzichtelijk maken waaruit de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie bestaat, en moet dit zo concreet mogelijk onderbouwen.
7.2. Op de zitting zijn geen nadere aanknopingspunten geboden die reden zouden kunnen zijn voor nader onderzoek. Daarom slaagt het beroep op de hardheidsclausule niet. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456. Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
452-1112