202405250/1/R4.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Nijmegen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 juli 2024 in zaak nr. 23/6251 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen.
Procesverloop
Met de brieven van 16 januari 2023 en 12 juli 2023 heeft het college gereageerd op brieven van [appellant] over de renovatie van zijn woning aan de [woonplaats] in Nijmegen.
Bij besluit van 8 augustus 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 16 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2025, waar [appellant], vergezeld door zijn broers [persoon A] en [persoon B], en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. Vaessen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is de eigenaar van de bovenwoning aan de [woonplaats] in Nijmegen. Op 3 maart 2021 heeft [appellant] een omgevingsvergunning aangevraagd om de woning te kunnen renoveren, waarbij onder andere vervanging van de voordeur en de raamkozijnen zou plaatsvinden. De Omgevingsdienst Regio Nijmegen (hierna: ODRN) liet namens het college weten dat de woning in een gebied met beschermd stadsgezicht ligt. Hierom verzocht de ODRN [appellant] om de activiteit ‘wijzigen van een gemeentelijk monument’ aan de vergunningsaanvraag toe te voegen en om aanvullende gegevens aan te leveren. Omdat [appellant] niet bereid was deze aanvullende gegevens in te dienen heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld.
2. [appellant] kan zich niet verenigen met de manier waarop zijn vergunningaanvraag is afgehandeld door de ODRN. Volgens [appellant] is er technisch gezien geen andere oplossing dan het vervangen van de kozijnen en is dit ook gebeurd bij alle andere identieke woningen in de straat. Volgens [appellant] had de ODRN niet mogen eisen dat hij een omgevingsvergunning voor het ‘wijzigen van een gemeentelijk monument’ aanvraagt.
3. In de brief van 16 januari 2023 heeft het college [appellant] erop gewezen dat zijn aanvraag om een omgevingsvergunning buiten behandeling is gesteld en dat dit besluit inmiddels onherroepelijk is. In de brief van 12 juli 2023 heeft het college [appellant] er onder andere op gewezen dat er geen aanvraag meer loopt voor het renoveren van de woning aan de [woonplaats].
4. [appellant] heeft tegen deze brieven bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat de twee brieven geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
Omvang van het geding
5. Uit het hoger beroepschrift en de door [appellant] nader ingediende stukken blijkt dat [appellant] verschillende (klacht)procedures is gestart die verband houden met de renovatie van zijn woning aan de [woonplaats]. [appellant] is zeer ontevreden over de uitkomst van deze procedures. [appellant] stelt dat hij schade lijdt omdat de woning niet meer verhuur- of verkoopbaar is.
De Afdeling kan echter niet ingaan op deze procedures en de klachten van [appellant] daarover. In hoger beroep toetst de Afdeling alleen of de uitspraak van de rechtbank juist is. In dit geval toetst de Afdeling dus of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college het bezwaar van [appellant] tegen de genoemde brieven niet-ontvankelijk mocht verklaren.
Is het bezwaar niet-ontvankelijk?
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zijn bezwaar tegen de brieven van het college van 16 januari 2023 en 12 juli 2023 ontvankelijk is. Volgens [appellant] is de rechtbank niet onafhankelijk en heeft zij onverkort de informatie van het college gevolgd. [appellant] vindt dat hij recht heeft op een inhoudelijk oordeel.
6.1. Voor een inhoudelijke behandeling van een bezwaar is vereist dat dit bezwaar zich richt tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Bij beantwoording van de vraag of de brieven van 16 januari 2023 en 12 juli 2023 besluiten zijn, is bepalend of de brieven zijn gericht op een rechtsgevolg. Dat is het geval als een bestuursorgaan een verandering beoogt in een bevoegdheid, recht, verplichting of status van een persoon of zaak. Van een op rechtsgevolg gerichte mededeling is verder sprake als een bestuursorgaan beoogt een bevoegdheid, recht, verplichting of status van een persoon of zaak bindend vast te stellen.
Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de brieven van 16 januari 2023 en 12 juli 2023 uitsluitend informatieve mededelingen bevatten die niet op rechtsgevolg zijn gericht. In de brief van 16 januari 2023 wordt medegedeeld dat [appellant] geen bezwaar heeft gemaakt tegen het buiten behandeling stellen van zijn vergunningsaanvraag en dat dit besluit inmiddels onherroepelijk is. Over de handelwijze van de ODRN wordt [appellant] erop gewezen dat de klachtenprocedure inmiddels is doorlopen. Tot slot wordt [appellant] aangeboden dat een medewerker cultuurhistorie van de gemeente kan meekijken naar wat mogelijk is voor de woning. De brief van 12 juli 2023 verduidelijkt dat er geen sprake is van een niet afgeronde vergunningsaanvraag en dat het verzoek om schadevergoeding van [appellant] is doorgeleid naar een interne afdeling. Verder wordt het aanbod om te helpen bij een nieuwe vergunningsaanvraag herhaald. Deze informatie is uitsluitend informatief van aard en daarmee niet gericht op een rechtsgevolg.
Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De enkele omstandigheid dat de rechtbank het standpunt van het college juist heeft geacht, betekent niet dat de rechtbank niet onafhankelijk is.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.
w.g. Van Altena
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loo
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
418-1165