ECLI:NL:RVS:2025:6126

Raad van State

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
202505408/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Negatief bindend studieadvies aan studente Bio-Farmaceutische Wetenschappen Universiteit Leiden

In deze zaak heeft de examencommissie Bio-Farmaceutische Wetenschappen van de Universiteit Leiden op 12 augustus 2025 een negatief bindend studieadvies (NBSA) gegeven aan de appellante, die in het studiejaar 2023-2024 met de bacheloropleiding is begonnen. De appellante had in haar eerste jaar slechts negen studiepunten behaald en in het tweede jaar drie, wat niet voldeed aan de vereiste norm van 45 studiepunten voor een positief bindend studieadvies volgens de Regeling bindend studieadvies Universiteit Leiden 2019. De appellante heeft tegen deze beslissing administratief beroep ingesteld, maar het college van beroep voor de examens (CBE) heeft dit beroep op 24 september 2025 ongegrond verklaard. De appellante heeft vervolgens beroep ingesteld bij de Raad van State.

Tijdens de zitting op 20 november 2025 heeft de appellante, bijgestaan door haar advocaat, haar persoonlijke omstandigheden uiteengezet, waaronder hinderverklaringen van de studentendecaan. De appellante betoogde dat het CBE haar persoonlijke omstandigheden onvoldoende had gewogen en dat er geen aangepast studieplan was opgesteld. Het CBE heeft echter gesteld dat de appellante, ondanks haar omstandigheden, onvoldoende studiepunten heeft behaald en dat de examencommissie terecht het NBSA heeft gegeven. De examencommissie heeft in haar beslissing ook rekening gehouden met de prestaties van de appellante en de adviezen van studieadviseurs, maar concludeerde dat er onvoldoende vertrouwen was dat de appellante de opleiding binnen een redelijke termijn zou kunnen afronden.

De Raad van State heeft uiteindelijk geoordeeld dat het beroep van de appellante ongegrond is en dat het CBE de beslissing van de examencommissie terecht in stand heeft gelaten. De Raad heeft vastgesteld dat de beslissing van de examencommissie niet onevenredig zwaar was voor de appellante en dat zij de mogelijkheid heeft om een andere studie te kiezen. De uitspraak is gedaan door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, en is openbaar uitgesproken op 17 december 2025.

Uitspraak

202505408/1/A2.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het college van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden (hierna: het CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 12 augustus 2025 heeft de examencommissie Bio-Farmaceutische Wetenschappen (hierna: de examencommissie), namens het bestuur van de Faculteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen van de Universiteit Leiden, een negatief bindend studieadvies (hierna: NBSA) aan [appellante] gegeven voor de bacheloropleiding Bio-Farmaceutische Wetenschappen.
Bij beslissing van 24 september 2025 heeft het CBE het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. R. Verspaandonk, advocaat in Den Haag, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. W.J. de Wit, vergezeld door dr. B.A. Slutter, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       [appellante] is in het studiejaar 2023-2024 begonnen met de bacheloropleiding Biofarmaceutische Wetenschappen. Vanwege haar persoonlijke omstandigheden heeft zij twee hinderverklaringen gekregen van de studentendecaan waaruit volgt dat zij van 1 september 2023 tot en met 31 augustus 2025 in verschillende gradaties gehinderd was bij het verrichten van studieprestaties. [appellante] heeft in haar eerste studiejaar negen studiepunten behaald. Zij heeft toen een uitgesteld BSA gekregen. In het studiejaar 2024-2025 heeft zij drie studiepunten behaald. Daarmee heeft [appellante] na twee jaar in totaal twaalf studiepunten behaald van de propedeutische fase.
2.       De examencommissie heeft een NBSA gegeven, omdat [appellante] met twaalf studiepunten niet heeft voldaan aan de volgens artikel 5.7.2 van de Regeling bindend studieadvies Universiteit Leiden 2019 (hierna: de Regeling) vereiste norm van 45 studiepunten voor het behalen van een positief bindend studieadvies. Het CBE heeft de beslissing van de examencommissie in stand gelaten en zich op het standpunt gesteld dat [appellante] ook met inachtneming van de hinderverklaringen een aanzienlijk groter deel van de vereiste 45 studiepunten had moeten kunnen behalen. Dat de studieadviseurs hebben toegezegd te willen pleiten voor een positief bindend studieadvies, als [appellante] voor het tentamen van het vak Bioanalyse van Geneesmiddelen een 5 of hoger haalde, maakt niet dat de beslissing van de examencommissie anders had moeten luiden. Het CBE heeft daarbij niet alleen in aanmerking genomen dat [appellante] een 1 heeft gehaald voor dat tentamen, maar ook dat de studieadviseurs slechts een adviserende rol hebben. Ook de aangevoerde omstandigheid dat de studieadviseurs aan de examencommissie hebben gevraagd om op het Momi-formulier ‘ziekte’ in te vullen als oorzaak voor studievertraging en dat de examencommissie dat heeft overgenomen, kan niet leiden tot een andere beslissing. Een melding in het kader van de Wet modern Migratiebeleid (hierna: Momi) staat namelijk los van het BSA. Tot slot heeft de beslissing volgens het CBE voor [appellante] geen onevenredige zware gevolgen. Het CBE wijst erop dat een studie altijd veel tijd en geld kost. Omdat de examencommissie heeft afgezien van een Momi-melding, is het voor [appellante] bovendien mogelijk om een overstap te maken naar een andere studie in Nederland.
3.       [appellante] voert aan dat het CBE haar persoonlijke omstandigheden onvoldoende heeft gewogen, omdat het rekenen met hinderpercentages in een geval als het hare niet goed werkt. Verder heeft de Universiteit, door geen Momi-melding te doen, feitelijk erkend dat zij vanwege persoonlijke omstandigheden geen 30 studiepunten kon behalen. Ook voert zij aan dat de examencommissie in strijd met artikel 4.3 van de Regeling geen aangepast studieplan voor haar heeft opgesteld. Tot slot heeft het CBE in de beslissing van 24 september 2025 onvoldoende gemotiveerd waarom de examencommissie geen toepassing hoefde te geven aan de hardheidsclausule.
3.1.    Het betoog van [appellante] slaagt niet. Het CBE heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellante], ook met inachtneming van haar persoonlijke omstandigheden, onvoldoende studiepunten heeft behaald. Op de zitting heeft het CBE toegelicht dat het hanteren van percentages voor studiebelastbaarheid juist ruimte biedt aan de examencommissie om in het voordeel van de student af te wijken, bijvoorbeeld wanneer een korte periode van verminderde studiebelastbaarheid precies in de tentamenperiode valt of wanneer sprake is van een gering verschil tussen het verwachte en het daadwerkelijk behaalde aantal studiepunten. In dit geval heeft het CBE terecht de examencommissie gevolgd in het standpunt dat daarvoor geen aanleiding bestond, gelet op het aanzienlijke verschil tussen het aantal studiepunten dat, rekening houdend met de verhinderpercentages, kon worden verwacht en het aantal studiepunten dat [appellante] heeft behaald. Verder staat in de verklaring van de studieadviseurs dat [appellante] vanaf het begin van haar studie regelmatig met hen heeft gesproken, vaak op eigen initiatief, maar ook met enige regelmaat op verzoek van de studieadviseurs. Zij hebben diverse afspraken met [appellante] gemaakt over haar studieplanning. Zo hebben de studieadviseurs in december 2023 met haar afgesproken dat zij per periode één vak niet zou volgen en dat zij maximaal 30 minuten per dag zou studeren. Voor het studiejaar 2024-2025 is afgesproken dat zij zich volledig zou richten op eerstejaarsvakken, wat zij niet heeft gedaan. Gelet op deze concrete afspraken van de studieadviseurs met [appellante], heeft het CBE zich terecht op het standpunt gesteld dat met haar een aangepast studieplan is afgesproken overeenkomstig artikel 4.3 van de Regeling.
Verder heeft het CBE terecht geconcludeerd dat de examencommissie in het afzien van een Momi-melding geen aanleiding hoefde te zien om ook af te zien van het NBSA. Uit de verklaring van de studieadviseurs volgt namelijk dat aan het afzien van die melding niet ten grondslag ligt dat het NBSA niet juist is, maar de wens dat [appellante] een nieuwe start kan maken en in Nederland kan blijven studeren. Tot slot heeft het CBE, mede gelet op die omstandigheid, deugdelijk gemotiveerd dat de beslissing van de examencommissie voor [appellante] geen onevenredig zware gevolgen heeft.
3.2.    Gelet op het voorgaande heeft het CBE de examencommissie terecht gevolgd in de conclusie dat er onvoldoende vertrouwen bestaat dat [appellante] de opleiding binnen redelijke termijn zal kunnen afronden. Het CBE heeft het BNSA terecht in stand gelaten.
4.       Het beroep is ongegrond. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
488-1177