202307055/1/A3.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats] (Iran),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 september 2023 in zaak nrs. 23/119, 23/1684 en 23/1688 in het geding tussen:
[vader],
[moeder],
[appellant]
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
Bij besluit van 25 januari 2022 heeft de minister geweigerd de aanvraag van [vader] en [moeder] namens [appellant] voor een Nederlands paspoort in behandeling te nemen.
Bij besluit van 24 november 2022 heeft de minister het door [vader] en [moeder] namens [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 september 2023 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 september 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M. Wiersma, advocaat in Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door J.L.K. Hu en I.S. IJserinkhuijsen, zijn verschenen. Verder is [zus], de zus van [appellant], gehoord en is S. Olia als tolk verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is geboren op [geboortedatum] 2004 in Amsterdam. Hij is de zoon van [vader] en [moeder]. Op 8 september 2021 hebben de ouders van [appellant] bij de Nederlandse ambassade in Teheran een aanvraag gedaan voor een Nederlands paspoort voor [appellant] die destijds minderjarig was. De minister heeft de aanvraag niet in behandeling genomen omdat de ouders ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) het Nederlanderschap van rechtswege hebben verloren en daarom [appellant] op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN ook.
De vader van [appellant] heeft op 15 oktober 2019 het Nederlanderschap verloren omdat hij van 15 oktober 2009 tot en met 15 oktober 2019 onafgebroken hoofdverblijf heeft gehad in Iran. Gedurende deze periode was hij naast de Nederlandse nationaliteit tevens in het bezit van de Iraanse nationaliteit. De moeder heeft op 12 augustus 2020 het Nederlanderschap verloren omdat zij van 12 augustus 2010 tot en met 12 augustus 2020 onafgebroken hoofdverblijf heeft gehad in Iran. Gedurende deze periode was zij naast de Nederlandse nationaliteit ook in het bezit van de Iraanse nationaliteit. Hierdoor heeft [appellant] op 12 augustus 2020 ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN ook het Nederlanderschap verloren. Daarnaast heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het verlies van het Nederlanderschap van [appellant] geen onevenredige gevolgen voor hem heeft vanuit het oogpunt van het Unierecht. De minister heeft zijn besluit in bezwaar gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de Unierechtelijke evenredigheidstoets juist heeft uitgevoerd. Uit vaste rechtspraak volgt dat de Unierechtelijke evenredigheidstoets moet plaatsvinden naar het moment van het verlies van het Nederlanderschap. De minister heeft mogen concluderen dat het voornemen van [appellant] om in een lidstaat van de Europese Unie te gaan studeren op het moment van dat verlies niet meer dan hypothetisch was. De stelling dat hij voornemens was om de dienstplicht te ontlopen door in Nederland te gaan studeren is onvoldoende concreet. Uit de door [appellant] overgelegde e-mail van 24 juli 2022 van een familievriendin in Nederland waarin staat dat zij contact heeft gehad met de ouders van [appellant] over een mogelijke studiekeuze en een studentenkamer volgt dat niet. De rechtbank volgt de minister dat [appellant] niet heeft gespecificeerd welke studie hij wilde gaan volgen en waar, en welke voorbereidende stappen hij daarvoor heeft ondernomen. De omstandigheid dat [appellant] op 8 september 2021 een Nederlands paspoort heeft aangevraagd kan niet worden meegewogen in de Unierechtelijke evenredigheidstoets omdat die aanvraag na het moment van verlies is gedaan, aldus de rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
3. [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het voornemen om te gaan studeren niet meer dan hypothetisch was. Hiertoe voert [appellant] aan dat ten tijde van het moment van het verlies van het Nederlanderschap duidelijk was dat hij in de Europese Unie wilde studeren. Hij was destijds zestien jaar en was zich aan het oriënteren op een studie aan een universiteit in Nederland, met name de Technische Universiteit Delft. De oriëntatie bestond onder andere uit zoekopdrachten op het internet. Hij twijfelde tussen de studie bouwkunde en ICT. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de minister uit deze onzekerheid over de studierichting mocht concluderen dat het studievoornemen niet meer dan hypothetisch was. Daarnaast voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat [appellant] op 8 september 2021 een Nederlands paspoort heeft aangevraagd niet kan worden meegewogen in de Unierechtelijke evenredigheidstoets. Door de omstandigheden die waren ontstaan door COVID-19 kon hij niet eerder zijn paspoort verlengen. De aanvraag is juist een bevestiging van zijn voornemen om in Nederland te studeren. Verder is de omstandigheid dat de zus van [appellant] in Nederland ging studeren een relevante aanwijzing die de rechtbank had moeten meewegen. Tot slot had de rechtbank een zwaarder gewicht moeten toekennen aan de omstandigheid dat hij niet alleen in Nederland wilde studeren maar dat hij ook de dienstplicht in Iran wilde ontlopen, aldus [appellant].
4. Uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:426, volgt dat bij het verlies van het Nederlanderschap en daarmee het Unieburgerschap altijd een Unierechtelijke evenredigheidstoets moet worden uitgevoerd. Bij de Unierechtelijke evenredigheidstoets wordt beoordeeld of het verlies van de nationaliteit van een lidstaat en daarmee het Unieburgerschap van een betrokkene in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel wat betreft de gevolgen ervan uit het oogpunt van het Unierecht. Aan de hand van die gevolgen moet worden beoordeeld of het verlies van het Unieburgerschap strookt met het aantasten van Unierechten op een wijze die onevenredig is aan de doelstelling die wordt nagestreefd door de nationale wetgever. De Unierechtelijke evenredigheidstoets vergt een volledige beoordeling van de individuele situatie van een betrokkene en in voorkomend geval van zijn gezin. Bij het in kaart brengen van de gevolgen uit oogpunt van Unierecht moeten alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken (punt 43 en 44 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 maart 2019, Tjebbes, C-221/17, ECLI:EU:C:2019:189). Daarbij kan het verlies van het Nederlanderschap alleen onevenredig zijn als er gevolgen zijn die betrekking hebben op het Unierecht. Eén van de mee te wegen relevante gevolgen bij de Unierechtelijke evenredigheidstoets is dat een betrokkene bijzondere moeilijkheden ondervond om zich naar Nederland of een andere lidstaat te blijven begeven om daar daadwerkelijke en regelmatige banden met gezinsleden te onderhouden dan wel aldaar zijn beroepsactiviteiten te verrichten of daarvoor de noodzakelijke stappen te ondernemen. Het ontbreken van bijzondere moeilijkheden brengt mee dat het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel niet is geschonden. 4.1. Uit de hiervoor genoemde uitspraak volgt ook dat de Unierechtelijke evenredigheidstoets moet plaatsvinden naar het moment van het verlies van het Nederlanderschap. In die Unierechtelijke evenredigheidstoets moeten niet alleen de gevolgen van het verlies van het Nederlanderschap worden betrokken die zich op dat moment al hadden gemanifesteerd, maar ook de gevolgen die op dat moment in redelijkheid voorzienbaar waren. Niet bedoeld zijn de gevolgen die hypothetisch zijn of waarvan niet vaststaat dat zij zich zullen voordoen. Het is daarom aan een betrokkene om concreet te onderbouwen dat op het moment van het verlies van het Nederlanderschap in redelijkheid voorzienbaar was dat hij zijn met het Unieburgerschap gepaard gaande rechten of verplichtingen uit zou gaan oefenen.
5. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het voornemen van [appellant] om in Nederland te studeren op het moment van verlies van het Nederlanderschap, te weten 12 augustus 2020 toen hij zestien jaar oud was, meer dan hypothetisch was. [appellant] heeft daarvoor onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangereikt. De door [appellant] ingebrachte e-mail van 24 juli 2022 van een familievriendin in Nederland legt onvoldoende gewicht in de schaal. Hoewel dat een aanwijzing is dat [appellant] of zijn ouders op enig moment navraag hebben gedaan naar de mogelijkheden om eventueel in Nederland te studeren, is dit een achteraf opgestelde verklaring die inhoudelijk erg weinig informatie bevat over wat er wanneer zou zijn gedaan en besproken. De rechtbank heeft terecht waarde gehecht aan het feit dat aldus ook onduidelijk is gebleven welke studie [appellant] wilde volgen en waar en welke voorbereidingen werden ondernomen. Er zijn geen aanwijzingen dat er meer is geweest dan een oriëntatie op eventuele mogelijkheden voor als [appellant] ouder zou zijn.
Verder is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat in de Unierechtelijke evenredigheidstoets niet kan worden meegewogen dat [appellant] op 8 september 2021, 13 maanden na het verlies van het Nederlanderschap, een aanvraag voor een Nederlands paspoort heeft gedaan omdat de Unierechtelijke evenredigheidstoets plaatsvindt naar het moment van het verlies van het Nederlanderschap. Overigens heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij wegens COVID-19 zijn paspoort niet eerder kon verlengen. Op de zitting heeft de minister onweersproken gesteld dat destijds via een online verklaringsformulier de tienjaarstermijn gestuit kon worden. Hoewel de wens van [appellant] invoelbaar is om net als zijn zus inmiddels doet in Nederland te studeren en dat hij aldus de dienstplicht in Iran wil ontlopen, is voor het kunnen aannemen van de vereiste voorzienbaarheid op het moment van verlies van het Nederlanderschap meer nodig. Er kan dan ook niet worden aangenomen dat het verlies van het Nederlanderschap voor [appellant] gevolgen heeft uit oogpunt van het Unierecht.
Het betoog slaagt niet.
Slotsom
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Singh, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Singh
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
990