202207456/1/A3.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellante B], respectievelijk wonend in Nieuw-Vennep en Hoofddorp,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 november 2022 in zaak nr. 21/1423 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellante B]
en
de burgemeester van Haarlemmermeer.
Procesverloop
Bij besluit van 2 oktober 2020 heeft de burgemeester besloten om de woning aan de [locatie 1] in Nieuw-Vennep voor drie maanden te sluiten.
Bij besluit van 16 februari 2021 heeft de burgemeester het door [appellant A] en [appellante B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 november 2022 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellante B] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 februari 2021 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellante B] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant A] en [appellante B] hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 26 november 2025 behandeld, waar [appellant A], bijgestaan door mr. C. Jankie, rechtsbijstandsverlener in Hoofddorp, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M. Gayir, advocaat in Haarlem, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant A] woont samen met zijn partner en hun twee minderjarige kinderen in de woning aan de [locatie 1] in Nieuw-Vennep. [appellante B] is zijn moeder en zij is eigenaar van de woning. Na een anonieme melding over de aanwezigheid van twee pakketten cocaïne van 28 kg heeft op 7 juli 2020 een doorzoeking van de woning plaatsgevonden. De politie heeft daarbij in de woning 1.060 gr henneptoppen en een voor het verwerken van softdrugs in kleinere hoeveelheden geschikte werkbank met daarop plastic zakken, een weegschaal en een sealmachine aangetroffen. Daarnaast trof de politie een man aan die op visite was en die € 4.000,00 aan contant geld bij zich had. De bevindingen zijn vastgelegd in de ‘Bestuurlijke rapportage [locatie 2] te Hoofddorp en [locatie 1] te Nieuw-Vennep’ van 9 juli 2020. Naar aanleiding van de bevindingen van de politie heeft de burgemeester besloten om de woning op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet voor drie maanden te sluiten met ingang van uiterlijk 15 oktober 2020. De woning is feitelijk drie maanden gesloten geweest.
Wat heeft de rechtbank geoordeeld?
2. De rechtbank heeft het door [appellant A] en [appellante B] ingestelde beroep gegrond verklaard. Reden daarvoor is dat het besluit van 16 februari 2021 in mandaat door een ambtenaar is genomen, terwijl het besluit van 2 oktober 2020 volgens de daarin weergegeven handtekening door de burgemeester zelf is genomen. Daardoor is het besluit van 16 februari 2021 genomen in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De rechtbank heeft dat besluit daarom vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten omdat de burgemeester te kennen heeft gegeven dat hij het besluit voor zijn rekening neemt. Dat betekent dat de sluiting rechtmatig was en de burgemeester geen nieuw besluit hoefde te nemen. Op de andere door [appellant A] en [appellante B] aangevoerde gronden hebben zij namelijk geen gelijk gekregen.
Waarom zijn [appellant A] en [appellante B] het niet met de rechtbank eens?
3. [appellant A] en [appellante B] betogen dat de rechtbank ook een oordeel had moeten geven over een door hun ingediend beroep wegens het niet tijdig beslissen door de burgemeester. Zij stellen dat zij op 8 februari 2021 de burgemeester in gebreke hebben gesteld omdat hij volgens hen niet tijdig op het bezwaar heeft beslist. Zij maken daarom aanspraak op een dwangsom. De rechtbank heeft de ingebrekestelling van 8 februari 2021 niet aan hun dossier toegevoegd en heeft zich over deze beroepsgrond ten onrechte niet uitgelaten, aldus [appellant A] en [appellante B]. Daarnaast voeren zij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat aan de besluitvorming van de burgemeester meerdere formele gebreken kleven. Voor wat betreft de inhoud van het besluit, betogen zij dat het besluit van de burgemeester in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden. Zij verzoeken tot slot om een vergoeding van de schade die zij wegens de onrechtmatige besluitvorming hebben geleden.
Beoordeling van het hoger beroep
4. Deze zaak hangt samen met een andere zaak waarin de burgemeester de woning van [appellante B] aan [locatie 2] in Hoofddorp ook voor drie maanden heeft gesloten. De appellanten in beide zaken worden bijgestaan door dezelfde rechtsbijstandverlener die in beide zaken nagenoeg dezelfde gronden heeft aangevoerd. In haar uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2025:6052, heeft de Afdeling die gronden beoordeeld. Zij verwijst voor de beoordeling van de door [appellant A] en [appellante B] aangevoerde gronden daarom naar die uitspraak. Voor wat betreft de beoordeling van de bevoegdheid, noodzaak en evenwichtigheid verwijst de Afdeling naar de uitspraak van de rechtbank. De gronden die [appellant A] en [appellante B] in hoger beroep hebben aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant A] en [appellante B] hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 13.1 tot en met 16.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Voor een aanvulling daarop over de bestuurlijke rapportage verwijst de Afdeling naar haar andere uitspraak van vandaag, onder 7. Gelet daarop slaagt het hoger beroep van [appellant A] en [appellante B] niet. Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd, voor zover aangevallen.
Verzoek om schadevergoeding
6. [appellant A] en [appellante B] hebben verzocht om schadevergoeding. Uit de bevestiging van de uitspraak van de rechtbank volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb opgenomen omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling tot schadevergoeding kan worden uitgesproken. Alleen al daarom zal het verzoek worden afgewezen.
Proceskosten
7. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Meerman, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Meerman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
960