ECLI:NL:RVS:2025:6189

Raad van State

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
202505015/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Negatief bindend studieadvies aan appellant door BSA-Commissie van de Universiteit van Amsterdam

In deze zaak gaat het om een negatief bindend studieadvies (NBSA) dat door de BSA-Commissie van de Universiteit van Amsterdam is gegeven aan [appellant] op 15 augustus 2025. [appellant] was in het studiejaar 2024-2025 gestart met de bacheloropleiding Economics and Business Economics en had slechts 42 studiepunten behaald, terwijl de norm 48 studiepunten was. Hij verzocht om uitstel van het bindend studieadvies vanwege persoonlijke omstandigheden, maar dit verzoek werd afgewezen. Het college van beroep voor de examens (CBE) verklaarde het daartegen door [appellant] ingestelde administratief beroep ongegrond. Hierop volgde een beroep bij de Raad van State.

De Raad van State behandelde de zaak op 20 november 2025. [appellant] was aanwezig, bijgestaan door mr. D. Hartevelt, terwijl het CBE werd vertegenwoordigd door E.A. Jousma. De Raad overwoog dat [appellant] onvoldoende bewijs had geleverd van zijn mentale problemen en dat zijn persoonlijke omstandigheden niet tijdig waren gemeld bij de studieadviseur. De Raad concludeerde dat het CBE terecht had geoordeeld dat de BSA-Commissie niet ten onrechte had geconcludeerd dat [appellant] ongeschikt was voor de opleiding.

De Raad van State verklaarde het beroep van [appellant] ongegrond en oordeelde dat het CBE geen proceskosten hoefde te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.

Uitspraak

202505015/1/A2.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
[appellant,]
en
het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam (hierna: het CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 15 augustus 2025 heeft de BSA-Commissie (hierna: de commissie), namens de decaan van de Faculteit Economie en Bedrijfskunde van de Universiteit van Amsterdam (hierna: de UvA), een negatief bindend studieadvies (hierna: NBSA) aan [appellant] uitgebracht.
Bij beslissing van 3 oktober 2025 heeft het college het daartegen door [appellant] ingesteld administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 20 november 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. D. Hartevelt, en het CBE, vertegenwoordigd door E.A. Jousma zijn verschenen.
Overwegingen
1.       [appellant] is in het studiejaar 2024-2025 gestart met de bacheloropleiding Economics and Business Economics aan de UvA. Hij heeft in dit studiejaar 42 studiepunten behaald. Zijn studieresultaten voldoen daarmee niet aan de in artikel 6.3, tweede lid, van de Onderwijs- en Examenregeling 2024-2025 (hierna: OER) vereiste norm van 48 studiepunten. [appellant] heeft om uitstel van het bindend studieadvies (hierna: BSA) gevraagd op grond van persoonlijke omstandigheden. Bij beslissing van 15 augustus 2025 heeft de commissie dit verzoek afgewezen en een NBSA uitgebracht.
2.       Het CBE heeft geconcludeerd dat de commissie zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] ongeschikt moet worden geacht voor de opleiding en hem niet ten onrechte een NBSA heeft gegeven. [appellant] heeft te weinig bewijs aangedragen van zijn mentale problemen, waardoor niet aannemelijk is geworden dat hij verminderd studiebelastbaar was. De overgelegde diagnose van ADHD met depressieve aanleg uit 2019 zegt onvoldoende over de studiebelastbaarheid in het studiejaar 2024-2025. Omdat [appellant] pas eind juni 2025 contact heeft gezocht met de studieadviseur, kan de verminderde studiebelastbaarheid in de periode tot juni 2025 niet eenduidig worden onderschreven. Het CBE acht het ook niet aannemelijk dat [appellant] nader bewijs kan overleggen waaruit volgt dat de beslissing van de commissie niet in stand kan blijven. Los van de omstandigheid dat dit bewijs te laat zou zijn, heeft [appellant] namelijk medegedeeld dat hij geen professionele hulp heeft of in het verleden heeft gezocht. Verder verklaart de omstandigheid met betrekking tot de moeder alleen het niet behalen van de herkansing van het vak Statistics 1 for Economics in juli 2025, maar zegt die omstandigheid niets over de daarvoor behaalde resultaten. De commissie heeft zich volgens het CBE dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de aangevoerde persoonlijke omstandigheden onvoldoende zijn komen vast te staan en dat onvoldoende causaal verband bestaat tussen de aangevoerde omstandigheden en de behaalde studiepunten.
3.       [appellant] is het niet eens met de beslissing van het CBE om het NBSA in stand te laten. Volgens hem heeft het CBE zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de commissie hem niet ten onrechte ongeschikt heeft geacht voor de opleiding. Dat hij zijn persoonlijke omstandigheden niet tijdig heeft gemeld, betekent niet dat aan deze omstandigheden voorbij mag worden gegaan. Hij wijst erop dat, toen zijn psychische klachten in mei 2025 verminderden, zijn studieprestaties aanzienlijk zijn verbeterd. Hij komt slechts zes studiepunten tekort voor een positief bindend studieadvies. Zijn laatste herkansing voor het vak Statistics 1 for Economics, ter waarde van zes studiepunten, heeft hij niet gehaald, omdat vlak daarvoor zijn moeder is opgenomen op de spoedeisende hulp in verband met een hersenvliesontsteking. Zijn beperkte deelname aan het onderwijs is onvoldoende om de geschiktheid voor de opleiding te bepalen.
4.       Het betoog slaagt niet. Het CBE heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de commissie niet ten onrechte aan [appellant] een NBSA heeft gegeven.
Uit artikel 6.4, tweede lid, van de OER volgt dat, indien een persoonlijke omstandigheid zich voordoet als gevolg waarvan een student in redelijkheid niet geacht kan worden te hebben voldaan aan de norm om een positief studieadvies te krijgen, de student daarvan zo spoedig mogelijk melding maakt bij de studieadviseur. Uit artikel 6.4, derde lid, van de OER volgt verder dat de student zorg draagt voor het aanleveren van bewijsstukken om zijn melding te onderbouwen.
Het CBE heeft terecht in aanmerking genomen dat, hoewel de door [appellant] aangevoerde persoonlijke omstandigheden - naar gesteld - zich al sinds het begin van het studiejaar voordeden, hij pas eind juni 2025 contact heeft gezocht met de studieadviseur. Het CBE heeft ook terecht vastgesteld dat de verminderde studiebelastbaarheid van [appellant] in de periode tot juni 2025 niet eenduidig kan worden onderschreven, omdat hij onvoldoende bewijs heeft aangedragen van zijn mentale problemen. [appellant] wijst in dit verband tevergeefs op de uitspraak van het CBHO van 2 februari 2011, CBHO 2011/012.1, omdat in die uitspraak uitsluitend het niet of niet-tijdig melden aan de desbetreffende appellante werd tegengeworpen. [appellant] wijst ook tevergeefs op de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1240. In die uitspraak had de desbetreffende appellante namelijk met medische stukken onderbouwd dat zij niet in staat was tijdig haar persoonlijke omstandigheden duidelijk te maken. Het CBE heeft, anders dan [appellant] betoogt, dan ook zijn persoonlijke omstandigheden in de beoordeling betrokken en is terecht tot de conclusie gekomen dat [appellant] de persoonlijke omstandigheden niet heeft onderbouwd, zodat geen causaal verband kan worden aangenomen tussen de behaalde studieresultaten en de gestelde omstandigheden.
Verder heeft het CBE zich terecht op het standpunt gesteld dat het behalen van 42 studiepunten voldoende is om [appellant] ongeschikt voor de opleiding te achten. De omstandigheid dat [appellant] vanaf mei 2025 de meeste van zijn tentamens heeft gehaald en dat hij zijn laatste herkansing alleen maar niet heeft gehaald wegens de omstandigheid met betrekking tot zijn moeder, neemt niet weg dat hij in totaal onvoldoende studiepunten heeft behaald.
5.       Het beroep van [appellant] is ongegrond. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond;
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Wissels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
488-1177