ECLI:NL:RVS:2025:6201

Raad van State

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
BRS.25.001994
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning asiel en hoger beroep tegen rechtbankuitspraak

Op 19 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoek om een voorlopige voorziening en hoger beroep. De zaak betreft een aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de minister van Asiel en Migratie op 11 november 2024 was afgewezen. Betrokkene heeft tegen deze afwijzing beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 20 oktober 2025 het beroep ongegrond verklaarde. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Rinkes, heeft vervolgens hoger beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. De minister heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

De voorzieningenrechter heeft het hoger beroep van betrokkene ongegrond verklaard, omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevatte die in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoord moesten worden. Ook het incidenteel hoger beroep van de minister werd ongegrond verklaard, omdat de voorzieningenrechter oordeelde dat de rechtbank de geloofwaardigheidsbeoordeling op de juiste wijze had verricht. De voorzieningenrechter bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene, die op € 907,00 werden vastgesteld, geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand.

Uitspraak

BRS.25.001994 en BRS.25.001995
Datum uitspraak: 19 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op de hoger beroepen van:
1.        [betrokkene],
2.        de minister van Asiel en Migratie,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 20 oktober 2025 in zaak nr. NL24.48829 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 11 november 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 20 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.J.A. Rinkes, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een zienswijze naar voren gebracht.
Overwegingen
Hoger beroep van betrokkene
1.        Het hoger beroep van betrokkene leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.        Het hoger beroep is ongegrond.
Incidenteel hoger beroep van de minister
3.        Het incidenteel hoger beroep van de minister leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De minister komt op tegen het oordeel van de rechtbank over de wijze waarop zij de toepassing van de geloofwaardigheidsbeoordeling in algemene zin voor zich ziet. De rechtbank overweegt daarna dat de minister de geloofwaardigheidsbeoordeling in deze zaak op de juiste wijze heeft verricht. De voorzieningenrechter van de Afdeling is van oordeel dat de door de minister bestreden overweging geen dragende overweging is geweest voor het eindoordeel van de rechtbank. Alleen al daarom kan het daartegen gerichte betoog van de minister niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
4.        Het incidenteel hoger beroep is ongegrond.
Conclusie
5.        De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening van betrokkene daarom af. De minister moet de proceskosten voor de behandeling van het incidenteel hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.        wijst het verzoek af;
III.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het incidenteel hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C.S. Heinen, griffier.
w.g. Wissels
voorzieningenrechter
w.g. Heinen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025
984