ECLI:NL:RVS:2025:6203

Raad van State

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
BRS.25.002094
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening in asielzaak met betrekking tot overdracht aan Kroatië

Op 19 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoek om opheffing of wijziging van een voorlopige voorziening. De zaak betreft een verzoeker die een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd had aangevraagd, maar wiens aanvraag door de minister van Asiel en Migratie op 27 mei 2025 niet in behandeling werd genomen. De rechtbank Den Haag had op 2 september 2025 het beroep van verzoeker gegrond verklaard en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. De minister ging in hoger beroep en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter had eerder, op 13 oktober 2025, de uitspraak van de rechtbank geschorst, waardoor de situatie van voor de uitspraak herleefde. Verzoeker, die op 17 oktober 2025 aan Kroatië was overgedragen, verzocht de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te wijzigen en teruggeleiding naar Nederland te bewerkstelligen. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat er geen aanleiding was om de eerdere beslissing te wijzigen, omdat de belangenafweging niet anders zou uitvallen. Het verzoek werd afgewezen en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

BRS.25.002094
Datum uitspraak: 19 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoeker] (hierna: verzoeker) om opheffing of wijziging van een voorlopige voorziening (artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 2 september 2025 in zaak nr. NL25.23934 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 27 mei 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 2 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verzoeker heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij uitspraak van 13 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4882, heeft de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de uitspraak van de rechtbank wordt geschorst.
Verzoeker heeft bij brief van 21 november 2025 de voorzieningenrechter verzocht de getroffen voorlopige voorziening te wijzigen.
Overwegingen
Uitspraak van 13 oktober 2025
1.        In deze uitspraak heeft de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de uitspraak van de rechtbank wordt geschorst. Daarom herleeft de situatie in rechte van voor de uitspraak van de rechtbank. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het besluit van 27 mei 2025 onverkort gelden totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Het verzoek
2.        Verzoeker is op 17 oktober 2025 overgedragen aan Kroatië en wijst erop dat deze overdracht onomkeerbare gevolgen voor hem heeft. Hij verzoekt de voorzieningenrechter de getroffen voorlopige voorziening te wijzigen en de minister op te dragen om hem terug te geleiden naar Nederland in afwachting van de uitspraak van de Afdeling op het hoger beroep.
Beoordeling
3.        In de uitspraak van 13 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van de minister om een voorlopige voorziening te treffen toegewezen, omdat onder de gegeven omstandigheden doorslaggevend gewicht toekomt aan het door de minister ingeroepen belang om verzoeker tijdig over te kunnen dragen aan Kroatië. Na hernieuwd onderzoek ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de getroffen voorlopige voorziening te wijzigen. Uit wat verzoeker heeft aangevoerd over wat hij na de overdracht aan Kroatië heeft meegemaakt, volgt niet dat de belangenafweging nu anders zou moeten uitvallen.
Conclusie
4.        De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. Borman
voorzieningenrechter
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025
918-1161