AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging vergunning kappen bomen in buurtmoestuin ondanks ecologische bezwaren
Het college van burgemeester en wethouders van Diemen verleende op 18 maart 2024 een omgevingsvergunning voor het kappen van twee fijnsparren in een buurtmoestuin, met een herplantplicht van twee fruitbomen binnen twee jaar. Verzoeker, lid en beheerder van de moestuin, betwistte de noodzaak van het kappen vanwege de ecologische waarde van de bomen en stelde dat het onderzoek naar de conditie en ecologie onvoldoende was.
De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker ongegrond, waarna verzoeker hoger beroep instelde bij de Raad van State en tevens een voorlopige voorziening verzocht. De voorzieningenrechter oordeelde dat nader onderzoek niet nodig was en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het college de vergunning terecht had verleend. De beoordeling van de bomen volgens de gemeentelijke Bomenverordening en de beleidsnotitie leidde tot een totaalscore van 30 punten, wat een positief advies opleverde.
Het advies van een externe firma en de door verzoeker overgelegde foto's en ecologische argumenten boden volgens de voorzieningenrechter geen aanleiding om het college te verplichten een uitgebreidere analyse te verrichten of de vergunning te weigeren. De aanwezigheid van vleermuizen in de buurt werd niet als bewijs gezien voor vaste verblijfplaatsen in de bomen. De uitspraak bevestigt dat het college zorgvuldig heeft gehandeld en dat de belangen van natuur- en milieuwaarden voldoende zijn meegewogen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen; de vergunning voor het kappen van de bomen blijft van kracht.
Uitspraak
202505739/1/R1 en 202505739/2/R1.
Datum uitspraak: 18 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 vanPro die wet, op het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend in Diemen,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 oktober 2025 in zaak nr. 24/4735 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Diemen.
Procesverloop
Bij besluit van 18 maart 2024 heeft het college aan de gemeente Diemen een omgevingsvergunning verleend voor de omgevingsplanactiviteit kappen van twee bomen in een buurtmoestuin tussen de Prinses Margrietstraat en de Prinses Marijkestraat in Diemen. De omgevingsvergunning bevat het voorschrift van een herplantplicht van twee fruitbomen twee jaar na het rooien.
Bij besluit van 19 juli 2024 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de motivering van het besluit en de herplantplicht aangevuld.
Bij uitspraak van 10 oktober 2025 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 27 november 2025, waar [verzoeker] en het college, vertegenwoordigd door B.C. Stijfbergen en W.J.C. de Graaf, zijn verschenen.
Overwegingen
Uitspraak in de hoofdzaak
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Inleiding
2. In buurtmoestuin "De Prinses op de erwt", die ligt tussen de Prinses Margrietstraat en Prinses Marijkestraat, staan twee fijnsparren. Het college heeft voor het kappen van deze bomen een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 22.8, van de Omgevingswet verleend. De gemeentelijke verordening is de Bomenverordening Diemen 2010 (hierna: de Bomenverordening), zoals die geldt vanaf 1 januari 2024.
[verzoeker] is als lid en beheerder betrokken bij de buurtmoestuin. Zij vindt dat er geen noodzaak is voor het kappen van de bomen. Volgens [verzoeker] hebben de bomen een belangrijke ecologische waarde.
3. In artikel 2, eerste lid, van de Bomenverordening staat dat het verboden is om zonder vergunning een houtopstand te vellen.
In artikel 4 vanPro de Bomenverordening staat dat een vergunning onder verwijzing naar de "Beleidsnotitie Bomenverordening Diemen 2010" (hierna: de beleidsnotitie), wordt geweigerd indien het belang van degene die de kapvergunning vraagt niet opweegt tegen het belang van:
a. natuur- en milieuwaarden;
b. landschappelijke waarden;
c. cultuurhistorische waarden;
d. waarden van stads- en dorpsschoon;
e. waarden voor recreatie en leefbaarheid;
f. leeftijd;
g. toekomstverwachting;
h. ruimtelijke structuur.
In de beleidsnotitie staat dat advies wordt gevraagd over de vraag of, en zo ja, in welke mate, zich weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 4 vanPro de Bomenverordening en of andere belangen bij de afweging een rol spelen. De objectiveerbare uitwerking van de weigeringsgronden zijn in de beleidsnotitie omgezet in criteria waaraan een wegingsfactor is toegekend. Als aan het criterium wordt voldaan, worden punten gegeven die achter het criterium op het adviesformulier staan genoemd. Bij een totaalscore van minder dan 50 punten is het advies positief en bij een totaalscore van 50 punten of meer volgt een advies tot weigering van de vergunning.
4. Het college heeft door een groenbeheerder onderzoek laten doen naar de twee bomen. In het besluit op bezwaar heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de twee bomen - na beoordeling volgens de beleidsnotitie - een totaalscore van 30 punten krijgen. Volgens het college zitten de bomen vol met hedera en staan ze scheef, waardoor de kans bestaat dat ze omwaaien.
Mocht het college de omgevingsvergunning verlenen?
5. [verzoeker] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de omgevingsvergunning niet mocht verlenen. Volgens [verzoeker] is niet voldaan aan de vereisten voor het verlenen van een omgevingsvergunning, onder meer omdat het onderzoek naar de conditie van de bomen onzorgvuldig is. [verzoeker] heeft ter onderbouwing van dit standpunt een advies overgelegd van de firma Groenwerk van 3 november 2025. Ook heeft het college volgens [verzoeker] geen deugdelijk ecologisch onderzoek verricht naar beschermde soorten, waaronder vleermuizen, en hun leefomgeving.
5.1. De gronden die [verzoeker] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn min of meer een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is daar gemotiveerd op ingegaan. De voorzieningenrechter kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De voorzieningenrechter voegt hieraan nog toe dat zij in het tegenadvies dat [verzoeker] naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft laten opstellen geen grond ziet voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning niet mocht verlenen. In dit advies wordt de scheefstand van de bomen en de kans op omwaaien niet weersproken. De voorzieningenrechter ziet in het advies van de firma Groenwerk ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college een Bomeneffectanalyse (hierna: BEA) had moeten vragen als genoemd in de beleidsnotitie. Volgens de beleidsnotitie is de toekomstverwachting van de bomen altijd een grove schatting, waarbij een BEA meestal niet noodzakelijk is, maar wel meer gedetailleerd inzicht kan geven over de toekomstverwachting van de houtopstand. De groenbeheerder van het college heeft ingeschat dat de toekomstverwachting van de bomen korter is dan 10 jaar. In het advies van de firma Groenwerk ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat die inschatting niet realistisch is. [verzoeker] heeft op de zitting foto’s overgelegd van andere bomen in Diemen die met hedera zijn begroeid. De voorzieningenrechter ziet daarin geen aanleiding voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning, gelet op artikel 4 vanPro de Bomenverordening, niet mocht verlenen. Die foto’s zeggen namelijk niets over de bomen die hier aan de orde zijn.
Uit de stelling van [verzoeker] dat zij en anderen hebben waargenomen dat de bomen onderdeel zijn van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen en een egel, begrijpt de voorzieningenrechter dat [verzoeker] vindt dat de omgevingsvergunning vanwege artikel 4, aanhef en onder a, van de Bomenverordening niet verleend had mogen worden. De voorzieningenrechter ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de omgevingsvergunning vanwege de belangen van natuur- en milieuwaarden niet mocht verlenen. Het college heeft over de aanwezige natuur- en milieuwaarden op de zitting toegelicht dat de omstandigheid dat vleermuizen in de buurt vliegen niet betekent dat zij ook een vaste verblijfplaats in de bomen hebben. Volgens het college is dit ook niet aannemelijk, onder andere in verband met de hedera waarmee de bomen dicht begroeid zijn. [verzoeker] heeft dat niet weerlegd.
De conclusie van de voorzieningenrechter is, gelet op het vorenstaande, dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Gelet hierop wordt het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.