ECLI:NL:RVS:2025:6213
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening over ontheffing vangen en doden steenmarters ter bescherming weidevogels
Het geding betreft een ontheffing verleend door het college van gedeputeerde staten van Fryslân op grond van de Wet natuurbescherming, die de Faunabeheereenheid toestaat maximaal 429 steenmarters per jaar te vangen en te doden ter bescherming van weidevogels. De rechtbank Noord-Nederland had een voorlopige voorziening getroffen die het gebruik van deze ontheffing tijdelijk verbood.
Het college stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om opheffing van deze voorlopige voorziening, dan wel een aangepaste voorziening die het gebruik van de ontheffing toestaat, en om schorsing van de uitspraak zodat geen nieuw besluit op bezwaar hoefde te worden genomen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college een spoedeisend belang heeft vanwege de effectiviteit van beheer in de wintermaanden en dat nader onderzoek in de bodemprocedure beter kan plaatsvinden.
De voorzieningenrechter beperkte het aantal te vangen en doden steenmarters voorlopig tot 250 tot 30 juni 2026, hief de eerdere voorlopige voorziening op en legde het college op binnen vier weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Het verzoek om geen nieuw besluit te hoeven nemen werd afgewezen. De uitspraak benadrukt de belangenafweging tussen bescherming van weidevogels en de staat van instandhouding van de steenmarter, en erkent de noodzaak van aanvullende maatregelen naast landschapsaanpassing.
Uitkomst: De voorlopige voorziening van de rechtbank wordt opgeheven, maar het aantal te vangen en doden steenmarters wordt beperkt tot 250 tot 30 juni 2026, met verplichting voor het college om binnen vier weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen.