ECLI:NL:RVS:2025:6217
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- A.B. Blomberg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen besluit parkeervraag kringloopwinkel
Het college van burgemeester en wethouders van Putten verleende op 26 september 2019 een omgevingsvergunning aan een bedrijf voor bouwen en handelen in strijd met het bestemmingsplan op een locatie in Putten waar een kringloopwinkel is gevestigd. Na bezwaar besloot het college op 13 februari 2024 het eerdere besluit te herroepen voor zover het handelen in strijd met het bestemmingsplan betrof, waarbij het de aanvraag toetste aan het nieuwe bestemmingsplan "Gervenhof & Dorpsstraat e.o.", dat op 29 juli 2023 in werking was getreden en onder meer een kringloopwinkel op die locatie mogelijk maakt.
Het college stelde in de motivering van het besluit van 13 februari 2024 dat de parkeervraag van de kringloopwinkel niet opnieuw hoeft te worden beoordeeld omdat deze beoordeling reeds bij de vaststelling van het bestemmingsplan had plaatsgevonden. [Appellante], rechtsopvolger van een bedrijf en tevens belanghebbende, verzocht de voorzieningenrechter om het besluit van 13 februari 2024 bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het verzoek gericht was op het voorkomen dat de raad zich in de beroepsprocedure over het bestemmingsplan zou beroepen op het standpunt dat de parkeervraag niet bij de planvorming hoefde te worden betrokken. De voorzieningenrechter overwoog dat het besluit van 13 februari 2024 na de vaststelling van het bestemmingsplan dateert en dat de toetsing van het plan door de Afdeling bestuursrechtspraak zal plaatsvinden aan de hand van de feiten en het recht ten tijde van de planvaststelling.
Daarmee kon het standpunt van het college in het latere besluit over de parkeervraag geen bepalende rol spelen bij de toetsing van het bestemmingsplan. Gezien het ontbreken van spoedeisend belang wees de voorzieningenrechter het verzoek af. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van 13 februari 2024 wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.