Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:6274

Raad van State

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
BRS.25.002397
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake machtiging tot voorlopig verblijf na afwijzing bezwaar

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 7 december 2023 een aanvraag van betrokkene voor een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Hiertegen maakte betrokkene bezwaar, dat bij besluit van 29 juli 2024 ongegrond werd verklaard. Betrokkene stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 13 november 2025 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de minister opdroeg binnen acht weken een nieuw besluit te nemen.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening om uitvoering van het vonnis van de rechtbank op te schorten totdat het hoger beroep is behandeld. Betrokkene gaf een schriftelijke reactie op dit verzoek.

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 24 december 2025 beslist dat de minister geen uitvoering hoeft te geven aan het vonnis van de rechtbank totdat het hoger beroep is afgerond. Tevens werd bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.

Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

BRS.25.002397
Datum uitspraak: 24 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 13 november 2025 in zaak nr. NL24.33098 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 7 december 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 29 juli 2024 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen acht weken na verzending van die uitspraak en met inachtneming ervan een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. P. Le Heux, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat zij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op haar hoger beroep heeft beslist.
2.        Gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2025
1028