ECLI:NL:RVS:2025:6300
Raad van State
- Hoger beroep
- E.J. Daalder
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- B.P. Vermeulen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging nihil vaststelling subsidie overgang integrale tarieven medisch specialistische zorg
Appellant, een gynaecoloog die per 1 januari 2015 van vrijgevestigd medisch specialist naar loondienst is overgestapt, ontving een subsidie van €100.000 op grond van de Subsidieregeling overgang integrale tarieven medisch specialistische zorg (SOIT). De minister stelde bij besluit van 4 maart 2022 de subsidie vast op nihil en vorderde het voorschot van €80.000 terug, omdat appellant niet uitsluitend in loondienst werkte gedurende de vereiste periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2019.
Appellant voerde aan dat hij door een burn-out per abuis tot 1 juni 2017 ook als vrijgevestigd specialist werkzaam was bij DC Klinieken Lairesse, maar vanaf die datum ook in loondienst trad. Hij stelde dat de doelstelling van de SOIT-regeling was bereikt en dat een minnelijke regeling mogelijk moest zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dit oordeel.
De Afdeling overweegt dat artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van de SOIT een gebonden bevoegdheid inhoudt en dat de evenredigheid van het besluit in algemene zin op het niveau van het algemeen verbindend voorschrift is beoordeeld. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die toepassing van de nihilstelling onevenredig maken. De medische stukken tonen aan dat appellant vanaf december 2015 tot juli 2016 arbeidsongeschikt was, maar de subsidieaanvraag dateert van februari 2015, zodat hij voldoende gelegenheid had om aan de voorwaarden te voldoen.
De Afdeling concludeert dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gedurende de vereiste periode uitsluitend in loondienst was, noch dat bijzondere omstandigheden toepassing van de gebonden bevoegdheid uitsluiten. Ook is er geen ruimte om de subsidie achteraf te verrekenen met inkomsten als vrijgevestigd specialist. De terugvordering van het voorschot is terecht en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt dat de subsidie terecht op nihil is vastgesteld en het voorschot van €80.000 is teruggevorderd.