202500511/1/A2.
Datum uitspraak: 16 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Amsterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2024 in zaak nr. 24/1568 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Openbare zitting gehouden op 16 december 2025 om 10:45 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. S. Yildiz
Verschenen:
[appellant], vertegenwoordigd door mr. R.A. van Heijningen, advocaat in Amsterdam;
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, vertegenwoordigd door mr. J. van den Boorn;
[appellant] heeft een urgentieaanvraag op sociaal-medische gronden ingediend omdat zijn woning, een tweekamerwoning van 43 vierkante meter, te klein is voor zijn gezin dat in 2023 naar Nederland is gekomen. Verder heeft [appellant] aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij rugklachten heeft, waardoor hij moeite heeft met traplopen. Het college heeft bij besluit van 7 oktober 2023 de urgentieaanvraag van [appellant] afgewezen. Volgens het college is sprake van meerdere algemene weigeringsgronden. Bij besluit van 16 februari 2024 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vervolgens bij uitspraak van 12 december 2024 het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het hoger beroep richt zich tegen deze uitspraak.
Beslissing
De Afdeling
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Motivering
1. [appellant] is niet opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverwegingen 6 en 7 dat in dit geval sprake is van vier algemene weigeringsgronden. Het hoger beroep richt zich tegen rechtsoverweging 9 van de uitspraak van de rechtbank, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat het college tot de conclusie mocht komen dat de hardheidsclausule in de situatie van [appellant] niet toegepast hoefde te worden. De rechtbank heeft daarover overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor een acuut levensbedreigende situatie, wat in Amsterdam nodig is voor toepassing van de hardheidsclausule, zodat er geen aanleiding was nader onderzoek te doen naar de medische situatie van [appellant]. Moeite met traplopen en angst om te vallen is daarvoor volgens de rechtbank onvoldoende. Wat [appellant] in hoger beroep in dit verband naar voren heeft gebracht komt neer op een herhaling van de beroepsgrond bij de rechtbank. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 9. In hoger beroep heeft [appellant] geen nadere stukken ingediend ter onderbouwing van de medische situatie. Het betoog op de zitting dat sprake is van een combinatie van factoren en dat de rechtbank dit niet heeft onderkend, slaagt niet. Dat betoog leunt in de kern ook op de gestelde levensbedreigende medische situatie van [appellant], die uit zijn rugklachten zou volgen. Dat blijkt echter, gelet op de beschikbare medische gegevens, niet uit die stukken. De verklaringen van de huisarts en de radioloog zijn hiertoe inderdaad onvoldoende. Het betoog van [appellant] slaagt niet.
2. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Yildiz
griffier
594