202404735/1/R3.
Datum uitspraak: 24 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant] en anderen, allen wonend in Gouda,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 juni 2024 in zaak nr. 23/4298 in het geding tussen:
[appellant] en anderen
en
het college van burgemeester en wethouders van Gouda.
Procesverloop
Bij besluit van 1 september 2022 heeft het college aan de gemeente Gouda (hierna: de gemeente) een omgevingsvergunning verleend voor het vellen van 14 bomen aan de Nieuwehaven in Gouda.
Bij besluit op bezwaar van 7 juni 2023 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten onder aanvulling van de motivering.
Bij uitspraak van 5 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen ingestelde beroep tegen het besluit van 7 juni 2023 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd met uitzondering van het deel hiervan dat betrekking heeft op de boom met boomnummer 1, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit geheel in stand blijven.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2025, waar [appellant] en anderen, van wie [appellant B], [appellant C] en [appellant D], bijgestaan door mr. M. van Duijn, advocaat in Den Haag, en ing. H.D. Sneep, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J.M.M. Scholtes en A. Heikoop, bijgestaan door E. Koppelaar, zijn verschenen. Verder is ter zitting de gemeente, vertegenwoordigd door Y. van Asseldonk, ing. S. van Jaarsveld en mr. T. Weerheijm, als partij gehoord.
Overwegingen
1. De in deze procedure relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel is van deze uitspraak.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 7 april 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Waar gaat deze zaak over?
3. Op 7 april 2022 heeft de gemeente een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vellen van 14 bomen. Het gaat om 14 platanen die staan in de Nieuwehaven in Gouda. De omgevingsvergunning is aangevraagd vanwege wortel- en groeiproblematiek van de bomen en voorgenomen werkzaamheden aan kabels, leidingen, riolering en bestrating. Het college heeft de aangevraagde omgevingsvergunning verleend en onder meer daaraan het voorschrift 2.2 verbonden dat door of namens de vergunninghoud(st)er of zakelijk gerechtigde binnen zes maanden na het (doen) vellen, 14 bomen van passende grootte worden herplant, waarbij zorggedragen wordt voor een optimale groeiplaats. Bij het besluit op bezwaar van 7 juni 2023 heeft het college de omgevingsvergunning onder aanvulling van de motivering in stand gelaten. Ook heeft het college daarbij het voorschrift 2.2 aangepast en daarin opgenomen dat binnen zes maanden na het (doen) vellen, 14 bomen overeenkomstig het Voorlopig Ontwerp (Voorstel nieuwe inrichting-geschoonde versie) worden herplant, waarbij zorggedragen wordt voor een optimale groeiplaats. De uitkomst van de aangevallen uitspraak is dat de gemeente de 14 bomen mag kappen.
De boom met boomnummer 1 is in het najaar van 2024 gekapt.
Hoger beroep
Hoger beroep voor zover ingediend namens [appellant D]
4. Het hoger beroep is onder meer ingediend door [appellant D]. De Afdeling stelt ambtshalve vast dat [appellant D] geen beroep bij de rechtbank heeft ingesteld. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat het [appellant D] niet kan worden verweten dat hij geen beroep heeft ingesteld. Dit leidt ertoe dat voor [appellant D] op grond van artikel 6:13 gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht geen hoger beroep openstaat. Het hoger beroep is om die reden niet-ontvankelijk, voor zover het door [appellant D] is ingesteld.
5. Waar hierna wordt gesproken over [appellant] en anderen worden [appellant] en de overige appellanten van wie het hoger beroep ontvankelijk is bedoeld.
Ingetrokken hoger beroepsgrond
6. Op de zitting hebben [appellant] en anderen het hoger beroep ingetrokken voor zover dat ziet op de boom met boomnummer 1. De hoger beroepsgrond die [appellant] en anderen daarover naar voren hebben gebracht, wordt daarom niet besproken.
Had het college de omgevingsvergunning mogen verlenen?
7. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de vergunningverlening in strijd is met artikel 3.97, tweede lid, van de Verordening Fysieke Leefomgeving Gouda (hierna: de VFLO). Op grond van deze bepaling moet voor de aanvraag het ‘Formulier Toetsingskader Overlast’ worden ingevuld. De gemeente heeft één zo’n formulier ingediend, maar het is onduidelijk op welke boom dat formulier betrekking heeft. Er had verder voor elk van de bomen zo’n formulier ingevuld moeten worden, nu de mate van overlast per boom verschilt. [appellant] en anderen verwijzen in dit kader naar de door hen overgelegde notitie van boomdeskundige Sneep van 24 juli 2024 (de Afdeling leest: 30 augustus 2024), waaruit dit blijkt. Bovendien bevat het ingevulde formulier fouten, aldus [appellant] en anderen. Zo wordt daarin gesteld dat de bomen geen cultuurhistorische waarde hebben, maar uit de motivering van het besluit op bezwaar blijkt dat dat wel het geval is. Ook valt niet in te zien waarom geen punten zijn toegekend aan de plataan als vrij algemene soort en vanwege de ten minste geringe ecologische waarde. Ten slotte is ook de overlast als gevolg van de wortelopdruk van de bomen op het formulier verkeerd ingeschat. Dit heeft geleid tot een onjuiste beoordeling van de waarde per boom en de door de bomen gegeven overlast, aldus [appellant] en anderen.
7.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het feit dat bij de aanvraag slechts één ‘Formulier Toetsingskader Overlast’ is gevoegd, niet betekent dat de waarde van ieder van de te kappen bomen niet voldoende inzichtelijk is gemaakt en de vergunning niet verleend had mogen worden. Het college heeft er terecht op gewezen dat de omstandigheid dat niet per boom een formulier is ingevuld, maar voor alle bomen tezamen is volstaan met één formulier, niet betekent dat de overlast per boom niet in kaart is gebracht. Dat is wel gedaan, in de Bomen Effect Analyse (hierna: de BEA) die is uitgevoerd door de Bomenwacht. Nu uit de BEA is gebleken dat er weinig verschil zit tussen de mate van overlast die door ieder van de bomen wordt veroorzaakt, volgt de Afdeling het college in het standpunt dat in dit geval volstaan kon worden met het invullen van één formulier. Dit geldt temeer nu het formulier een hulpmiddel is bij het inzichtelijk maken van de mate van overlast van de boom of bomen waarop een aanvraag ziet, en het college in het besluit op bezwaar nader heeft toegelicht welke waarden als bedoeld in artikel 3.95 van de VFLO het aan de bomen heeft toegekend.
Dat, naar [appellant] en anderen betogen, het college de door de bomen gegeven overlast onjuist heeft beoordeeld, is niet gebleken. In dit kader is van belang dat [appellant] en anderen op de zitting hebben erkend dat de bomen wortelopdruk veroorzaken, dat aannemelijk is dat daarover is geklaagd en dat er iets aan die opdruk moet gebeuren. Dat dat volgens de door [appellant] en anderen ingeschakelde boomdeskundige Sneep ook kan zonder de bomen te kappen, betekent niet dat het college de overlast van de bomen onjuist heeft beoordeeld. Verder betekent de omstandigheid dat het college niet voor ieder van de waarden als bedoeld in artikel 3.95 van de VFLO punten aan de bomen heeft toegekend niet dat het college ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het de gevraagde vergunning kon verlenen. Daargelaten of [appellant] en anderen terecht betogen dat de cultuurhistorische en ecologische waarden van de bomen te laag zijn ingeschat, geldt dat uit de door het college gegeven motivering volgt dat een hogere puntentoekenning voor de waarden van de bomen niet tot een ander besluit zou hebben geleid, omdat het college een zwaarder gewicht heeft toegekend aan het belang bij verwijdering van de bomen dan aan het belang bij behoud van de bomen. Gelet op hetgeen hierna onder 8.1 en 8.2 is overwogen, mocht het college dit ook.
Het betoog slaagt niet.
8. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat voor het vellen van de bomen een omgevingsvergunning kon worden verleend vanwege de overlast als gevolg van de wortelopdruk. Deze overlast kan namelijk worden bestreden op een wijze waarbij de bomen worden behouden. In dit kader verwijzen [appellant] en anderen naar het rapport van Sneep van 30 augustus 2024, waarin Sneep ervoor pleit de nu aanwezige groeiruimte als uitgangspunt te nemen en zo de platanen relatief klein te houden. Als daarbij de door hem beschreven voorzorgsmaatregelen worden getroffen, wordt de wortelopdruk blijvend opgelost, ontstaat er geen schade aan de platanen en kunnen de platanen op hun plaats blijven staan. Bovendien gaan er bij deze oplossing geen parkeerplaatsen verloren en zijn er, op het aanpassen van de bakken waar de bomen in staan en het treffen van enkele voorzorgsmaatregelen na, geen financiële consequenties voor het college. Aangezien de bomen vier van de vijf in artikel 3.95 van de VFLO genoemde waarden vertegenwoordigen, had het college voor deze boomvriendelijke optie moeten kiezen. Het college heeft evenwel de boomvriendelijke opties onvoldoende onderzocht, zodat het besluit op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd en de belangen onvoldoende zijn afgewogen.
8.1. Het college kan de omgevingsvergunning op grond van artikel 3.97 van de VFLO verlenen indien de belangen van verlening opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van een of meer van de oogmerken van artikel 3.95 van de VFLO. Dit betekent dat het college bij de beslissing om een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand te verlenen beleidsruimte heeft.
8.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de wortelopdruk van de bomen overlast geeft waartegen maatregelen moeten worden genomen. Evenmin is tussen partijen in geschil dat de bomen desondanks behouden zouden kunnen blijven. Het college heeft evenwel toegelicht dat bij het besluit tot verlening van de vergunning niet alleen het belang van bestrijding van de overlast door de wortelopdruk een rol heeft gespeeld, maar ook andere belangen, zoals de herinrichting van de straat en een verbetering van de biodiversiteit. In het besluit van 7 juni 2023 heeft het college zich rekenschap gegeven van de waarden als bedoeld in artikel 3.95 van de VFLO die de platanen volgens hem vertegenwoordigen, maar heeft het zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat deze waarden met de keuze voor kap van de platanen en aanplantplicht van andere boomsoorten behouden blijven, of, voor zover het gaat om de biodiversiteit, zelfs beter worden. Daarmee heeft het de betrokken belangen voldoende inzichtelijk gemaakt en tegen elkaar afgewogen. Gelet hierop en op de beleidsruimte die het college op grond van artikel 3.97 van de VFLO heeft, heeft het college de vergunning mogen verlenen en was het niet gehouden om de vergunningaanvraag te weigeren en voor het alternatieve plan van Sneep te kiezen.
8.3. Het betoog slaagt niet.
9. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep voor zover ingediend namens [appellant] en anderen, niet zijnde [appellant D], ongegrond.
Conclusie
10. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk, voor zover het is ingediend namens [appellant D]. Voor het overige is het hoger beroep ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd, voor zover aangevallen.
11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van [appellant] en anderen niet-ontvankelijk, voor zover het is ingesteld door [appellant D];
II. verklaart het hoger beroep voor het overige ongegrond;
III. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Ouwehand
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2025
752
BIJLAGE
RELEVANTE WET- EN REGELGEVING
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.2
1. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:
[...]
g. houtopstand te vellen of te doen vellen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.
Verordening fysieke leefomgeving Gouda
Afdeling 3.7 Houtopstanden
§ 3.7.1. Algemene bepalingen
Artikel 3.94 Toepassingsbereik
Deze afdeling is van toepassing op het vellen van houtopstanden.
Artikel 3.95 Oogmerken
De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:
a. Natuur- en milieuwaarden;
b. Landschappelijke waarden;
c. Cultuurhistorische waarden;
d. waarden van stads- en dorpsschoon
e. waarden voor recreatie en leefbaarheid
§ 3.7.2. Omgevingsvergunning kappen
Artikel 3.96 Omgevingsvergunning kappen
1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een houtopstand te
vellen of te doen vellen.
[…].
Artikel 3.97 Beoordelingsregels
1. Een omgevingsvergunning kan worden verleend indien de belangen van verlening opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van oogmerken van artikel 3.95.
2. In geval van een aanvraag om omgevingsvergunning vanwege overlast van een boom wordt gebruik gemaakt van een door het college hiertoe vastgesteld afwegingsmodel overlast van bijlage IX.
3. […]
4. Het college kan bij het onder voorschriften verlenen van de vergunning de in het eerste lid genoemde waarden als motivering hanteren. Het college verwijst bij de beslissing op een aanvraag zoveel mogelijk naar gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen.