ECLI:NL:RVS:2025:6425

Raad van State

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
202404937/4/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake omgevingsvergunning voor aanleg warmtetransportleiding tussen Rijswijk en Leiden

Op 30 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak tussen WarmtelinQ Transport Service B.V. en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. De zaak betreft een omgevingsvergunning die op 20 juni 2024 is verleend aan WarmtelinQ voor het tijdelijk herinrichten van straten en het kappen van 211 bomen ten behoeve van de aanleg van een warmtetransportleiding tussen Rijswijk en Leiden. De vergunning is onderworpen aan de voorwaarde dat de uitvoering pas kan beginnen als het inpassingsplan 'WarmtelinQ Rijswijk - Leiden en aanlandlocatie' onherroepelijk is. WarmtelinQ heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening, omdat de uitvoering van de vergunning anders niet kan starten. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat er een spoedeisend belang is bij het kunnen starten van de werkzaamheden, en heeft de voorschriften die de uitvoering van de vergunning vertragen, geschorst. Dit betekent dat WarmtelinQ nu kan beginnen met het kappen en verplanten van de bomen die in fase 1 zijn opgenomen, terwijl de voorschriften voor fase 2 voorlopig van kracht blijven. Daarnaast is het college van burgemeester en wethouders van Den Haag veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan WarmtelinQ en moet het griffierecht vergoeden. De voorzieningenrechter heeft in zijn overwegingen het belang van de aanleg van de warmtetransportleiding zwaar laten wegen, ondanks de onomkeerbaarheid van het kappen van bomen.

Uitspraak

202404937/4/R3.
Datum uitspraak: 30 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
WarmtelinQ Transport Service B.V., gevestigd in Amsterdam,
verzoekster,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 30 december 2025 om 10:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. H.J.M. Besselink, voorzieningenrechter
griffier: mr. L. Brouwers
Verschenen:
WarmtelinQ Transport Service B.V., vertegenwoordigd door mr. W.L.J. Willemsen en mr. R.H.F. Kok, advocaten in Amsterdam en R.K.P. den Drijver;
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, vertegenwoordigd door mr. M.P.K. Ahsmann, advocaat in Utrecht, en A.J. van Heerde;
Provinciale staten van Zuid-Holland, vertegenwoordigd door mr. H.J. Zwalve-Erades;
Vattenfall Warmte B.V, vertegenwoordigd door mr. R.G.M. van Ekdom, advocaat te Amsterdam.
Bij besluit van 20 juni 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan WarmtelinQ voor het tijdelijk herinrichten van een deel van de straten en omgeving en ook het kappen van 211 bomen en verplanten van 28 bomen ten behoeve van de aanleg van een warmtetransportleiding  tussen Rijswijk en Leiden waarvan een deel van het tracé loopt via Den Haag. De omgevingsvergunning ziet op de activiteiten "werk of werkzaamheden uitvoeren", "handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening" en "kappen". Bij alle drie deze vergunde activiteiten is een voorschrift opgenomen dat pas tot uitvoering van de activiteiten overgegaan kan worden als het inpassingsplan "WarmtelinQ Rijswijk - Leiden en aanlandlocatie" van de provincie Zuid-Holland (hierna: het inpassingsplan) onherroepelijk is.
Dit besluit is met verschillende besluiten van andere bestuursorganen gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening.
Tegen verschillende besluiten uit de gecoördineerde besluitvorming, waaronder het inpassingsplan, is beroep ingesteld bij de Afdeling. WarmtelinQ heeft beroep ingesteld tegen de door het college van Den Haag aan haar verleende omgevingsvergunning. Dit beroep richt zich tegen de hierboven genoemde voorschriften in de omgevingsvergunning.
WarmtelinQ heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter
I.        schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 20 juni 2024, kenmerk 202328522/8888489, voor zover daarin voor de activiteiten "werk of werkzaamheden uitvoeren", "handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening" en "kappen" voorschriften zijn opgenomen op grond waarvan pas van de omgevingsvergunning gebruik mag worden gemaakt nadat het Provinciaal Inpassingsplan van de Provincie Zuid-Holland "WarmtelinQ Rijswijk - Leiden en aanlandlocatie" onherroepelijk is geworden. Deze schorsing ziet wat betreft het voorschrift dat aan de toestemming voor de activiteit "kappen" is verbonden, alleen op het verplanten en kappen van de bomen die zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak;
II.       veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij WarmtelinQ Transport Service B.V. in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.814,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III.      gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan WarmtelinQ Transport Service B.V. het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 371,00 vergoedt.
Gronden:
•        De voorzieningenrechter acht een spoedeisend belang aanwezig. Door de bestreden voorschriften kan niet gestart worden met de uitvoering van de omgevingsvergunning tot het inpassingsplan onherroepelijk is. Er zijn beroepen ingesteld tegen het inpassingsplan en het is niet aannemelijk dat een uitspraak daarover op korte termijn gegeven zal worden. De andere voorschriften die aan de omgevingsvergunning verbonden zijn, leiden niet tot een ander oordeel over het spoedeisende belang. Voor zover daar nog niet aan is voldaan, kan worden aangenomen dat er op korte termijn alsnog aan voldaan kan worden.
•        De beroepsgronden van WarmtelinQ behoeven nadere studie. Deze gronden lenen zich daarom niet goed voor een beoordeling in deze procedure. De voorzieningenrechter verricht daarom een belangenafweging.
•        De voorzieningenrechter hecht in deze situatie meer waarde aan het kunnen starten met de uitvoering dan aan het voorkomen van mogelijk onnodige bomenkap. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat als niet op korte termijn gestart kan worden met het kappen en verplanten, de hele uitvoering meerdere maanden vertraging oploopt. Dit vanwege de andere voorschriften in de omgevingsvergunning waardoor niet gekapt mag worden tussen 15 maart en 15 juli en niet verplant mag worden tussen 15 maart en 1 november. Deze vertraging komt bovenop de vertraging die al plaats heeft gevonden, doordat de behandeling van de bodemprocedure over de gecoördineerde besluiten al enige tijd op zich laat wachten. Door een verder uitstel in de uitvoering zal het in gebruik nemen van de warmtetransportleiding ook verdere vertraging oplopen, waardoor onder meer grote financiële schade ontstaat. Gelet op het doel van de warmtetransportleiding weegt de voorzieningenrechter dit belang zwaar.
•        Het kappen van bomen is weliswaar onomkeerbaar, maar daarin wordt geen aanleiding gezien voor een andere afweging. Zonder de kap is aanleg van de warmteleiding niet mogelijk. Verder zijn de te kappen en te verplanten bomen niet monumentaal, en vindt het college de kap van de bomen op zichzelf aanvaardbaar; de gevraagde vergunning is immers verleend. Tegen de omgevingsvergunning is ook niet door anderen dan WarmtelinQ beroep ingesteld, en de aanhangige beroepen tegen het inpassingsplan richten zich niet tegen de aanleg van de warmteleiding in de gemeente Den Haag.
•        WarmtelinQ heeft aangegeven dat het mogelijk is om het kappen en verplanten in twee fasen uit te voeren, waardoor nu eerst de bomen verplant en gekapt moeten worden die zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak (fase 1). De bomen in fase 2 hoeven pas na 15 juli 2026 te worden gekapt. Zij verzoekt vanwege de flexibiliteit in de planning echter de voorschriften als geheel te schorsen. De voorzieningenrechter begrijpt de behoefte aan flexibiliteit, maar hecht daar minder waarde aan dan aan het vooralsnog kunnen laten staan van de bomen in fase 2. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om de schorsing van het voorschrift dat verbonden is aan de activiteit "kappen" alleen betrekking te laten hebben op de bomen in fase 1. Dat houdt in dat vooralsnog alleen de bomen in fase 1 mogen worden verplant of gekapt.
w.g. Besselink
voorzieningenrechter
w.g. Brouwers
griffier
1080