202405206/1/A3.
Datum uitspraak: 31 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 juli 2024 in zaak nr. 23/6728 in het geding tussen:
[appellant]
en
de directeur van Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland.
Procesverloop
Bij besluit van 24 juli 2023 heeft de directeur het verzoek van [appellant] op grond van de Wet open overheid (hierna: Woo) om openbaarmaking van documenten afgewezen.
Bij besluit van 13 september 2023 heeft de directeur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De directeur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 december 2025, waar de directeur, vertegenwoordigd door mr. R. Vroonland, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft verzocht om openbaarmaking van documenten over, kortgezegd, de vastgestelde waarde van een woning aan de [locatie], in [woonplaats] op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ). De directeur heeft het verzoek, voor zover dat geen betrekking heeft op al eerder via de website openbaar gemaakte informatie, afgewezen omdat op grond van rechtspraak van de Afdeling de Wet WOZ specifieke regels stelt over de openbaarmaking, die prevaleren boven het algemene regime van de Woo. De directeur heeft het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Rechtbankuitspraak
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de directeur het Woo verzoek mocht afwijzen. Niet in geschil is dat [appellant] verzoekt om verstrekking van informatie in de zin van de artikelen 40, 40a en 40b van de Wet WOZ. De rechtbank heeft overwogen dat hoewel die artikelen niet in de bijlage van artikel 8.8 van de Woo zijn opgenomen, deze wet een bijzondere, uitputtende openbaarmakingsregeling bevat die voorgaat op de Woo. Daarvoor is niet de bijlage bepalend maar de bedoeling van de wetgever. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de wetsgeschiedenis van de Verzamelwet BZK 20XX, Kamerstukken II 2023/24, 36 481, nr. 3, blz. 25, waaruit volgt dat de openbaarmakingsregeling van de Wet WOZ aan de bijlage van de Woo wordt toegevoegd en opnieuw, net als in eerdere rechtspraak over de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob), als uitputtend moet worden aangemerkt. Volgens de rechtbank is de Woo daarom niet van toepassing op het verzoek van [appellant].
Hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de directeur het Woo verzoek mocht afwijzen. Daartoe voert hij aan dat de Wet WOZ niet in de bijlage van de Woo is opgenomen, terwijl uit de opzet van de Woo blijkt dat in de bijlage van artikel 8.8 van de Woo een limitatieve opsomming staat van wetten die van de werking daarvan zijn uitgezonderd. Alsnog weigeren van de openbaarmaking is volgens [appellant] dan ook in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel. Dat uit eerdere rechtspraak van de Afdeling blijkt dat de Wet WOZ voorgaat op de Wob maakt dat volgens [appellant] niet anders, omdat de Wob een andere opzet heeft dan de Woo. Met de Woo is namelijk beoogd een cultuuromslag te maken naar actieve openbaarheid. Het blokkeren van openbaarmaking met een beroep op de Wet WOZ is dan in strijd met die doelstelling, aldus [appellant]. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling een verzoek om openbaarmaking van informatie waarop een geheimhoudingsplicht rust ook moet worden opgevat als een verzoek tot opheffing van de geheimhouding. [appellant] betoogt tot slot dat weigering van de openbaarmaking in strijd is met het in artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) vastgelegde recht op toegang tot informatie, omdat de beperking op dat recht in dit geval niet bij wet voorzien is omdat de bijlage bij de Woo geen verwijzing bevat naar de Wet WOZ.
3.1. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4 tot en met 4.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat de rechtbank terecht heeft verwezen naar de Verzamelwet BZK 20XX, waarin onder meer wetstechnische gebreken en leemten worden hersteld. Daaruit blijkt in dit geval duidelijk dat de wetgever met de Woo niet heeft beoogd een verandering te brengen in het uitputtende openbaarmakingsregime van de Wet WOZ, zoals dat reeds bleek uit de rechtspraak over de Wob. Deze wet is inmiddels ook in werking getreden, waardoor de artikelen 40, 40a en 40b van de Wet WOZ zijn opgenomen in de bijlage van artikel 8.8 van de Woo. Dat zoals [appellant] stelt het niet plaatsen van deze artikelen in de bijlage een bewuste keuze van de wetgever is geweest, kan dan ook niet gevolgd worden. De Afdeling merkt voorts op dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Woo blijkt dat het gegeven dat een wet niet in de bijlage is opgenomen er niet aan in de weg staat dat de bestuursrechter aanneemt dat van een bijzondere openbaarmakingsregeling sprake is en dat daarbij de bedoeling van de wetgever geldt (zie bijvoorbeeld Kamerstukken II, 2019/20, 35 112, nr. 9, p. 10/11). Verder is de beperking van de openbaarheid, anders dan [appellant] stelt, gelet op artikel 40b van de Wet WOZ bij wet voorzien. Het beroep op artikel 10 van het EVRM slaagt alleen al daarom niet. Tot slot had de directeur het verzoek niet hoeven aan te merken als verzoek om opheffing van de geheimhouding, reeds omdat het nu niet gaat om een geheimhoudingsbesluit, maar een bijzonder openbaarmakingsregime.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. De directeur hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2025
802-1114