202505412/1/A2.
Datum uitspraak: 31 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, in zaak nr. 202503138/1/A2.
Procesverloop
Bij uitspraak van 24 september 2025, in zaak nr. 202503138/1/A2, ECLI:NL:RVS:2025:4561, heeft de Afdeling het beroep van [verzoeker] tegen de beslissing van 13 januari 2025 van het college van beroep voor de examens van de Universiteit Maastricht niet-ontvankelijk verklaard. [verzoeker] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.
[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft het verzoek op een zitting behandeld op 27 november 2025, waar [verzoeker] is verschenen.
Overwegingen
1. Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb luidt:
"De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden."
1.1. De Afdeling stelt voorop dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet kan worden gebruikt om het geschil, waarover bij uitspraak is beslist, opnieuw aan de rechter voor te leggen. Ook is dit rechtsmiddel niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden om argumenten, die in een eerdere procedure naar voren zijn gebracht of hadden kunnen worden gebracht, opnieuw of alsnog naar voren te brengen en daarmee het debat te heropenen, nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.
1.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [verzoeker] geen feiten of omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Wat [verzoeker] heeft aangevoerd komt neer op een heropening van het debat, omdat hij het niet eens is met de uitspraak van 24 september 2025. Zoals onder 1.1 is overwogen, kan dat niet leiden tot herziening van de uitspraak. In deze uitspraak heeft de Afdeling het beroep van [verzoeker] tegen de beslissing van 13 januari 2025 van het college van beroep voor de examens van de Universiteit Maastricht niet-ontvankelijk verklaard omdat hij dat beroep te laat heeft ingesteld en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Het betoog van [verzoeker] dat hem pas uit deze uitspraak duidelijk werd dat hij procesbelang had bij het administratief beroep tegen het besluit van 13 december 2024, waarbij hij alsnog is toegelaten tot de opleiding, en dat het wél hebben van procesbelang een nieuw feit is, slaagt niet. In de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025 heeft de Afdeling geen oordeel gegeven over het procesbelang bij het administratief beroep, maar over de termijnoverschrijding van het beroep. Het betoog van [verzoeker] berust op een onjuiste interpretatie van de uitspraak van 24 september 2025. Ook de omstandigheid dat, zoals [verzoeker] betoogt, die uitspraak anders zou hebben geluid als hij zelf bekend was geweest met de inhoud van productie 14 is geen omstandigheid als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, alleen al niet omdat productie 14 in die uitspraak aan de orde is gekomen.
2. Het verzoek wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten en dus ook niet van het griffierecht, zoals [verzoeker] heeft gevraagd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2025
488-1112