ECLI:NL:RVS:2025:6435

Raad van State

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
202500106/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • A.B. Blomberg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wsg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende objectieve aanwijzingen

Appellant diende op 17 januari 2023 een aanvraag in voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven naar aanleiding van een geweldsincident op 23 oktober 2022 waarbij hij fysiek en psychisch letsel opliep. De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees de aanvraag bij besluit van 30 mei 2023 af en handhaafde dit na bezwaar op 20 oktober 2023. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.

In hoger beroep betoogde appellant dat het dossier onvolledig was vanwege ontbrekende telefoonnotities van overleg tussen de CSG en het Openbaar Ministerie (OM). De Raad van State oordeelde dat deze stukken in hoger beroep alsnog waren overgelegd en appellant daardoor niet in zijn belangen was geschaad. De CSG mocht zich beperken tot stukken die relevant zijn voor de motivering van de afwijzing.

Verder stelde appellant dat hij onterecht niet als slachtoffer van een opzettelijk geweldsmisdrijf werd erkend. De Raad van State bevestigde dat hoewel appellant slachtoffer is van een feitelijke geweldshandeling, hij onvoldoende objectieve aanwijzingen heeft geleverd over de toedracht, aanleiding en omstandigheden van het geweldsmisdrijf. Tegenstrijdige verklaringen en het ontbreken van controleerbare getuigenverklaringen maakten aannemelijkheid onvoldoende. De afwijzing door de CSG was daarom terecht.

Tot slot wees de Raad van State het beroep op het evenredigheidsbeginsel af omdat appellant geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd die een uitzondering op het beleid rechtvaardigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende objectieve aanwijzingen.

Uitspraak

202500106/1/A2.
Datum uitspraak: 31 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 november 2024 in zaak nr. 23/3552 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de CSG).
Procesverloop
Bij besluit van 30 mei 2023 heeft de CSG de aanvraag van [appellant] om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: het schadefonds) afgewezen.
Bij besluit van 20 oktober 2023 heeft de CSG het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en nadere stukken ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 december 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Bos, advocaat te Heerlen, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. M.E.H. Vos-Nijp en mr. A.R. Link-van Sponseren, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] heeft op 17 januari 2023 een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het schadefonds.
2.       In de aanvraag heeft [appellant] kenbaar gemaakt dat hij op 23 oktober 2022 slachtoffer is geworden van een geweldsmisdrijf, waardoor hij fysiek en psychisch letsel heeft opgelopen.
3.       De CSG heeft bij besluit van 30 mei 2023, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 oktober 2023, de aanvraag van [appellant] afgewezen. Volgens de CSG heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.
Wettelijk kader en beleid
4.       Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (hierna: Wsg) luidde ten tijde van het besluit van 20 oktober 2023:
"Uitkering kan worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen."
Uitspraak van de rechtbank
5.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de CSG de aanvraag van [appellant] mocht afwijzen, omdat hij niet met objectieve aanwijzingen aannemelijk heeft gemaakt dat hij slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.
Hoger beroep en beoordeling daarvan
Volledigheid van het dossier
6.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het dossier onvolledig is. Uit correspondentie blijkt dat er meermaals telefonisch overleg heeft plaatsgevonden tussen de CSG en het Openbaar Ministerie (hierna: het OM). De telefoonnotities ontbreken. Ook ontbreekt een brief waarmee de CSG het volledige proces-verbaal bij het OM heeft opgevraagd. Daardoor weet hij niet hoe dat verzoek is gemotiveerd. Volgens [appellant] moet dit gebrek in ieder geval leiden tot een proceskostenveroordeling. [appellant] betoogt verder dat de CSG alleen de stukken bij het OM heeft opgevraagd die nodig zijn om de afwijzing van het verzoek te motiveren. Dit is in strijd met meerdere grondbeginselen van het recht, waaronder transparantie, equality of arms en een eerlijk proces.
6.1.    De CSG heeft erkend dat de telefoonnotitie van het telefoongesprek met het Informatiepunt Slachtoffers Limburg en de bijlage van de e-mail waarin de CSG het volledige proces-verbaal bij het OM heeft opgevraagd aanvankelijk niet in het dossier waren opgenomen. De CSG heeft de stukken in hoger beroep alsnog aan [appellant] en de Afdeling overgelegd. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] desgevraagd te kennen gegeven dat het dossier daardoor compleet is geworden. Naar het oordeel van de Afdeling is [appellant] niet in zijn belangen geschaad doordat de CSG deze stukken pas in hoger beroep heeft overgelegd. [appellant] had voldoende tijd om op de stukken te reageren. In de bijlage wordt enkel gevraagd om verstrekking van het volledig proces-verbaal. De telefoonnotitie bevat enkel informatie over de stand van zaken.
In het dossier zit een e-mail van 17 mei 2023 waarin de CSG het OM om toestemming vraagt om stukken aan [appellant] en de bestuursrechter te overleggen. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] verduidelijkt dat het hem om die e-mail gaat. De CSG heeft op basis van het dossier een afweging gemaakt. De CSG mag zich ter onderbouwing van de afwijzing beperken tot de stukken die aan de motivering bijdragen en heeft met dat doel het OM om toestemming gevraagd om die stukken aan [appellant] en de bestuursrechter te overleggen. Deze werkwijze is inherent aan bestuurlijke besluitvorming. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de CSG hiermee niet in strijd met één of meerdere algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld.
Het betoog slaagt niet.
Artikel 3 van Pro de Wsg
7.       [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de CSG de aanvraag op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg heeft mogen afwijzen, omdat hij niet met objectieve aanwijzingen aannemelijk heeft gemaakt dat hij slachtoffer is geworden van een opzettelijk geweldsmisdrijf. Het staat vast dat hij slachtoffer is geworden van een ernstig geweldsmisdrijf. Daarmee is voldaan aan artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg. Pas als niet voldaan zou zijn aan dat artikel moet worden gekeken naar de aanleiding, toedracht en omstandigheden van het geval. Bovendien kan zijn recht op een uitkering uit het schadefonds ook worden vastgesteld op basis van een inhoudelijke toets met betrekking tot de aanleiding, toedracht en omstandigheden. Het kan niet zo zijn dat hij geen uitkering uit het schadefonds krijgt, omdat de verklaring van de verdachte anders luidt dan zijn verklaring.
7.1.    De CSG heeft bij het nemen van beslissingen op verzoeken om een uitkering als bedoeld in artikel 3 van Pro de Wsg beslissingsruimte. Dat betekent dus dat de CSG een eigen afweging mag maken of uitkering in dit geval gepast is. Aan die afwegingsruimte geeft de CSG invulling met de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven (versie 1 november 2022) (hierna: de Beleidsbundel). Volgens paragraaf 1.1.2 van de Beleidsbundel hoeft een geweldsmisdrijf niet bewezen te worden, maar moet dit aannemelijk worden gemaakt. De beoordeling bestaat uit de volgende elementen. In de eerste plaats is de feitelijke geweldshandeling van belang. Dit is de handeling waardoor het slachtoffer letsel opliep. Daarnaast moet voor de aannemelijkheid dat sprake is van een geweldsmisdrijf ook de toedracht van de feitelijke geweldshandeling, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder de feitelijke geweldshandeling heeft plaatsgevonden voldoende duidelijk zijn. Een eigen verklaring van een slachtoffer is, als dat het enige is, onvoldoende om de aannemelijkheid vast te stellen. Het kan dus zo zijn dat de CSG aanvullende informatie nodig heeft. Dat is ook het geval als er aangifte is gedaan, maar de aangifte geen strafrechtelijk gevolg heeft gekregen. Objectieve aanwijzingen moeten de verklaring van het slachtoffer dan ondersteunen.
7.2.    Het is aan de aanvrager van een uitkering uit het schadefonds om met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf (zie de uitspraak van de Afdeling van 13 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2272).
7.3.    Niet in geschil is dat [appellant] slachtoffer is geworden van een feitelijke geweldshandeling en daardoor letsel heeft opgelopen. De vraag die voorligt, is of [appellant] met objectieve aanwijzingen aannemelijk heeft gemaakt dat hij slachtoffer is geworden van een geweldsmisdrijf in de zin van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg. Daarvoor zijn de toedracht, de aanleiding en de omstandigheden van de feitelijke geweldshandeling van belang.
7.4.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij slachtoffer is geworden van een geweldsmisdrijf. De Afdeling overweegt daartoe als volgt. [appellant] heeft aangifte gedaan van een geweldsmisdrijf dat heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2022. Het OM heeft de zaak geseponeerd omdat er te weinig bewijs was. Er zijn geen objectieve aanwijzingen die de verklaring van [appellant] ondersteunen. Uit de verklaring van de hoofdbeveiliger van het evenement waar de feitelijke geweldshandeling heeft plaatsgevonden, valt niet duidelijk af te leiden wat er is gebeurd. De Afdeling overweegt verder dat de in hoger beroep overgelegde verklaringen van twee vrienden van [appellant] geen objectieve aanwijzingen zijn. Uit de verklaringen valt niet controleerbaar af te leiden dat deze vrienden op het moment van het incident daadwerkelijk aanwezig waren c.q. zich op een plek bevonden vanwaar zij konden waarnemen wat er gebeurde. Ook zijn de verklaringen niet ten overstaan van de politie afgelegd, waardoor de politie hier geen onderzoek naar heeft kunnen doen. De Afdeling overweegt verder dat, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, de verklaring van [appellant] niet overeenkomt met de verklaring van de verdachte. Uit de tegenstrijdige verklaringen valt niet duidelijk op te maken wat er is gebeurd en wie er is begonnen met het gebruik van geweld. Ook uit het ontstane letsel en de beschikbare medische informatie daarover, blijkt niet wat de toedracht, aanleiding en omstandigheden van het geweldsincident waren. Letsel of medische verklaringen over het bestaan van letsel, geven nog geen uitsluitsel over de oorzaak daarvan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de CSG de aanvraag om een uitkering onder deze omstandigheden op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg geheel heeft mogen afwijzen. Hierbij is van belang dat een uitkering uit het schadefonds een financiële tegemoetkoming is die gefinancierd wordt uit belastinggeld. De CSG moet dit kunnen verantwoorden. Daarbij past niet dat de CSG een uitkering verstrekt als de aanleiding, toedracht en omstandigheden onduidelijk blijven.
Het betoog slaagt niet.
Evenredigheidsbeginsel
8.       Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij op grond van het evenredigheidsbeginsel in aanmerking moet komen voor een vergoeding, overweegt de Afdeling dat wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om tot die conclusie te komen. Uit het betoog van [appellant] blijkt niet van bijzondere omstandigheden die de CSG niet bij de beoordeling heeft betrokken of die rechtvaardigen dat een uitzondering op de uitgangspunten van het beleid wordt gemaakt.
Conclusie
9.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
10.     De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Engele, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Engele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2025
1033