ECLI:NL:RVS:2025:651
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke handhaving verwijderen onvergund botenhuis op waterbestemming
Het college heeft appellant gelast het botenhuis op zijn perceel te verwijderen omdat dit zonder omgevingsvergunning is gebouwd op grond met de bestemming 'Water', wat volgens het bestemmingsplan niet is toegestaan. Appellant betoogde dat het botenhuis een vergroting was van een bestaand bouwwerk en dat overgangsrecht van toepassing was, maar dit werd verworpen omdat de vergroting meer dan 10% bedroeg en er geen zicht op legalisering was.
Daarnaast stelde appellant dat het college willekeurig handhaafde en het gelijkheidsbeginsel werd geschonden doordat andere botenhuizen niet werden aangepakt. De Afdeling oordeelde dat handhaving op basis van klachten en prioritering is toegestaan en dat het college niet willekeurig handelde.
Ook werd het beroep tegen de invordering van de dwangsom afgewezen omdat het bestuursorgaan mocht invorderen voordat de bezwaarprocedure definitief was afgerond. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de handhaving met dwangsom blijft in stand.