ECLI:NL:RVS:2025:663
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ambtshalve toepassing artikel 64 Vreemdelingenwet en toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid weigerde bij besluit van 24 september 2020 ambtshalve te bepalen dat de uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 23 april 2021 ongegrond werd verklaard, en stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank verklaarde het beroep op 20 september 2023 ongegrond.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State en verzocht daarnaast om een voorlopige voorziening tegen uitzetting, nadat de minister op 7 januari 2025 een aanvraag om toepassing van artikel 64 Vw Pro 2000 had afgewezen. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak trok het verzoek tot voorlopige voorziening aan zich vanwege lopende hogerberoepsprocedure en de noodzaak van eenduidige rechtspraak.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevatte die beantwoording behoefden en verklaarde het ongegrond. De voorlopige voorziening werd toegewezen zodat de vreemdeling niet wordt uitgezet totdat de minister een besluit op het bezwaar heeft genomen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €907,00.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de voorlopige voorziening wordt toegewezen waardoor de vreemdeling niet wordt uitgezet totdat een besluit op bezwaar is genomen.