ECLI:NL:RVS:2025:749
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing hoger beroep op uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven bij seksueel misbruik
Appellant heeft twee aanvragen ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens seksueel misbruik in de periode 1988-1992. De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) kende uitkeringen toe in letselcategorie 5 en 3, waarbij appellant meende recht te hebben op hogere categorieën vanwege de ernst van het letsel.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het geschil inhoudelijk behandeld en het beleid van de CSG getoetst, waarbij werd vastgesteld dat de CSG beleidsruimte heeft bij het bepalen van letselcategorieën en dat de medische informatie onvoldoende is om een hogere categorie toe te kennen.
De Afdeling oordeelt dat het psychisch letsel van appellant, ondanks de ernst, niet leidt tot volledige en blijvende afhankelijkheid zoals vereist voor letselcategorie 6. Ook is onvoldoende gesteld voor een hogere categorie dan 3 voor het misbruik in 1991/1992. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.