ECLI:NL:RVS:2025:754
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende nieuwe feiten en geen urgent huisvestingsprobleem
Appellant heeft een urgentieverklaring aangevraagd vanwege een te kleine eenkamerwoning waarin hij met zijn twee dochters woont, wat stress veroorzaakt en geen eigen plek biedt voor de dochters. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd en meerdere weigeringsgronden van de Huisvestingsverordening 2020 van toepassing waren.
De rechtbank oordeelde dat het college de aanvraag niet op grond van artikel 4:6, tweede lid, Awb had mogen afdoen, maar dat de inhoudelijke afwijzing terecht was omdat een te kleine woning geen urgent huisvestingsprobleem oplevert. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn situatie urgent is en dat het college de hardheidsclausule had moeten toepassen, maar hij bracht geen nieuwe of aanvullende omstandigheden aan.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat de situatie voor appellant en zijn dochters weliswaar niet ideaal is, maar onvoldoende aanleiding bestaat om de hardheidsclausule toe te passen. Ook is de inhoudelijke beoordeling door het college en de rechtbank adequaat geweest. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.