ECLI:NL:RVS:2025:920

Raad van State

Datum uitspraak
10 maart 2025
Publicatiedatum
6 maart 2025
Zaaknummer
BRS.25.000050
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 29, tweede lid, DublinverordeningArt. 91, tweede lid, Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlenging overdrachtstermijn vreemdeling aan Kroatië volgens Dublinverordening

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft de overdrachtstermijn van een vreemdeling aan Kroatië verlengd tot achttien maanden vanwege onderduiken, zoals bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze verlenging ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de minister bevoegd was de termijn te verlengen. Dit oordeel is in overeenstemming met het arrest Jawo van het Hof van Justitie en eerdere jurisprudentie van de Afdeling. Het hoger beroep bevatte geen nieuwe rechtsvragen die nadere motivering vereisten.

Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 10 maart 2025.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verlenging van de overdrachtstermijn aan Kroatië wordt bevestigd.

Uitspraak

BRS.25.000050
Datum uitspraak: 10 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 december 2024 in zaak nr. NL24.39434 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij brief van 13 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling meegedeeld dat hij de termijn voor de overdracht aan Kroatië heeft verlengd tot achttien maanden.
Bij uitspraak van 24 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B. Manawi, advocaat in Delft, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.  Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen dat de minister de overdrachtstermijn tot achttien maanden mocht verlengen, omdat de vreemdeling was ondergedoken in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening en het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, punt 70. Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1077, onder 2. Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
1.1.  Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.  Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2025
18-1122