ECLI:NL:RVS:2025:942
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie legde op 28 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 23 december 2024 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze afdeling oordeelde op 10 maart 2025 dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden. De Afdeling verwees naar eerdere uitspraken over soortgelijke detentieomstandigheden.
De Afdeling zag geen reden om de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig te achten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.