ECLI:NL:RVS:2025:944
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie legde op 28 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 23 december 2024 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde op 10 maart 2025 dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming, mede omdat soortgelijke kwesties reeds eerder waren beantwoord in recente uitspraken.
De Raad van State zag geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te vernietigen of de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig te achten. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.