Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:953

Raad van State

Datum uitspraak
10 maart 2025
Publicatiedatum
10 maart 2025
Zaaknummer
202500774/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awbartikel 91, tweede lid, Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag

De vreemdeling diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie bij besluit van 25 november 2024 niet in behandeling werd genomen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep van de vreemdeling op 31 januari 2025 ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

In het hoger beroep werd vastgesteld dat de minister de overdrachtstermijn op grond van de Dublinverordening had verlengd tot achttien maanden, tot en met 8 februari 2026. De Afdeling nam aan dat partijen belang hebben bij de behandeling van het hoger beroep, zonder daarmee een oordeel te geven over de rechtmatigheid van het verlengingsbesluit.

De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen gronden bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin, en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bevestigd en de minister werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202500774/1/V2.
Datum uitspraak: 10 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 31 januari 2025 in zaak nr. NL24.46866 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 25 november 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 31 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat in Sittard, hoger beroep ingesteld.
De minister en de vreemdeling hebben op verzoek van de Afdeling nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.       Bij besluit van 7 februari 2025 heeft de minister de overdrachtstermijn om de vreemdeling op grond van de Dublinverordening aan Duitsland over te dragen, verlengd tot achttien maanden (hierna: het verlengingsbesluit). De minister heeft in zijn begeleidende brief van 25 februari 2025 bij het verlengingsbesluit aan de Afdeling te kennen gegeven dat hij de overdrachtstermijn dus heeft verlengd tot en met 8 februari 2026. Gelet hierop neemt de Afdeling aan dat partijen belang hebben bij de behandeling van het hoger beroep. Met het in deze procedure aannemen van procesbelang, geeft de Afdeling geen oordeel over de rechtmatigheid van het verlengingsbesluit en de bekendmaking hiervan. Als de vreemdeling die aan de orde wil stellen, kan hij rechtsmiddelen aanwenden tegen het verlengingsbesluit.
2.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Salverda
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2025
992