ECLI:NL:RVS:2025:99
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen bindend negatief studieadvies vanwege niet behalen verplichte stages
Appellante is in september 2022 gestart met de opleiding Verloskunde en kreeg na eerdere waarschuwingen een bindend negatief studieadvies (BNSA) vanwege het niet behalen van verplichte studieonderdelen, waaronder twee korte praktijkbeoordelingen (KPB’s) binnen het verplichte stageprogramma.
De directeur van de opleiding had appellante een verlengde BSA-termijn toegekend vanwege persoonlijke omstandigheden, maar ondanks extra kansen slaagde zij er niet in de KPB’s te behalen. De stages werden voortijdig beëindigd door de praktijk en er waren zorgen over haar professioneel gedrag. Het college van beroep voor de examens verklaarde het administratief beroep van appellante ongegrond.
Appellante voerde in hoger beroep onder meer aan dat het vertrouwensbeginsel was geschonden omdat haar toezeggingen waren gedaan over extra stagekansen, en dat haar persoonlijke omstandigheden onvoldoende waren meegewogen. De Afdeling oordeelde dat het college een motiveringsgebrek had, maar dat dit niet tot benadeling had geleid omdat het college het vertrouwensbeginsel terecht verwierp. Ook was het college zorgvuldig omgegaan met het advies van de studentendecaan over haar persoonlijke omstandigheden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Het college werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan appellante. De uitspraak bevestigt dat een bindend negatief studieadvies kan worden gehandhaafd indien de opleiding zorgvuldig en gemotiveerd handelt, ook bij persoonlijke omstandigheden van de student.
Uitkomst: Het beroep tegen het bindend negatief studieadvies wordt ongegrond verklaard en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.