ECLI:NL:RVS:2026:1047

Raad van State

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
202406405/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.2.6 Verordening op het binnenwaterDienstenrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en herziening besluiten wijziging ligplaatsvergunningen Amsterdam

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wijzigde in 2022 vijftien ligplaatsvergunningen van Blue Boat Company van onbepaalde naar bepaalde tijd met einddata in 2024 en 2026. Na verlengingen tot 2030 verklaarde het college bezwaren ongegrond. De rechtbank Amsterdam vernietigde deze besluiten en herroept de besluiten van 15 juli 2022.

Het college stelde hoger beroep in tegen de vernietiging, met name voor reguliere ligplaatsvergunningen zonder exclusieve op- en afstapplaatsen. Blue Boat Company stelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank ten onrechte de besluiten voor drie vaartuigen zonder exclusieve ligplaatsen herroept en vernietigt die uitspraak voor dat deel.

Daarnaast oordeelt de Afdeling dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een wijziging van omstandigheden en onvoldoende rekening heeft gehouden met de Dienstenrichtlijn. Daarom moet het college een nieuw besluit nemen binnen achttien weken. De Afdeling bevestigt de rest van de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten aan Blue Boat Company.

Uitkomst: De Afdeling vernietigt deels de uitspraak van de rechtbank en draagt het college op binnen achttien weken een nieuw besluit te nemen over de ligplaatsvergunningen van drie vaartuigen.

Uitspraak

202406405/1/A3.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1.       het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,
2.       B.V. Algemene Amsterdamse Rederij Noord-Zuid en Dobber Amsterdam Canal Cruises B.V. (hierna gezamenlijk: Blue Boat Company), allebei gevestigd in Amsterdam,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2024 in zaak nr. 23/1262 in het geding tussen:
Blue Boat Company
en
het college.
Procesverloop
Bij vijftien besluiten van 15 juli 2022 heeft het college de ligplaatsvergunningen van Blue Boat Company voor onbepaalde tijd gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2024 en 1 maart 2026.
Bij besluit van 20 januari 2023 heeft het college de door Blue Boat Company daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij besluiten van 19 maart 2024 en 22 april 2024 heeft het college ligplaatsvergunningen van Blue Boat Company verlengd tot 1 maart 2026, 1 maart 2028 en 1 maart 2030.
Bij uitspraak van 9 september 2024 heeft de rechtbank het door Blue Boat Company tegen de besluiten van 20 januari 2023, 19 maart 2024 en 22 april 2024 ingestelde beroep gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en de besluiten van 15 juli 2022 herroepen.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
Blue Boat Company heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Blue Boat Company en het college hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting van 30 oktober 2025 behandeld, waar het college, vertegenwoordigd door mr. B.S. Jaasma, mr. M.R. Botman en mr. D.K. Jongkind, advocaten in Den Haag, en Blue Boat Company, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. H.J.M. van Schie, advocaat in Haarlem, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college ligplaatsvergunningen gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2024, 1 maart 2026, 1 maart 2028 en 1 maart 2030. Het college heeft de gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. Het gaat in deze zaak om ligplaatsvergunningen voor exclusieve op- en afstapplaatsen waarvoor deze reders exclusieve gebruiksrechten hebben. Daarvoor hebben zij een huurovereenkomst gesloten met de gemeente. Het college moet over de exclusieve op- en afstapplaatsen nog beleid formuleren en dat kan pas op het moment dat duidelijk is wanneer de huurovereenkomsten eindigen. Omdat dat nog niet duidelijk is, heeft het college de ligplaatsvergunningen te vroeg gewijzigd. Daarom heeft de rechtbank de besluiten van 20 januari 2023, 19 maart 2024 en 22 april 2024 vernietigd en de besluiten van 15 juli 2022 herroepen.
Hoger beroep
3.       Het college heeft hoger beroep ingesteld, voor zover de rechtbank ook de besluitvorming heeft vernietigd die gaat over reguliere ligplaatsvergunningen, dus vergunningen voor ligplaatsen op locaties zonder exclusieve op- en afstapplaats. In het geval van Blue Boat Company is voor de vaartuigen Amstel Glory, Lido en Amstel Jade een dergelijke ligplaatsvergunning afgegeven, aldus het college.
3.1.    Blue Boat Company heeft in de schriftelijke uiteenzetting en op de zitting bij de Afdeling bevestigd dat deze drie vaartuigen niet over een exclusieve op- en afstapplaats beschikken.
3.2.    Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank, voor zover het beroep zich richtte tegen de besluiten over die drie vaartuigen, in die gevallen ten onrechte de besluiten van 15 juli 2022 heeft herroepen. De uitspraak van de rechtbank zal dan ook in zoverre worden vernietigd.
3.3.    Het betoog slaagt.
Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
4.       Blue Boat Company heeft wat betreft de reguliere ligplaatsvergunningen incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van het college slaagt. Omdat aan die voorwaarde wordt voldaan, komt de Afdeling toe aan een inhoudelijk oordeel over dat incidenteel hoger beroep.
4.1.    Blue Boat Company betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het stelsel van de ligplaatsvergunning niet onder de Dienstenrichtlijn valt. Daarnaast is het college als gevolg van de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3732, niet bevoegd om de ligplaatsvergunning te wijzigen, aldus Blue Boat Company.
4.2.    Dit betoog slaagt. De Afdeling heeft in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823, een oordeel gegeven over de besluitvorming van het college om de ligplaatsvergunningen te wijzigen. In die uitspraak komt de Afdeling tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een verandering van omstandigheden of inzichten als bedoeld in artikel 2.2.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening op het binnenwater. Eveneens is het college niet of onvoldoende ingegaan op de eisen die de Dienstenrichtlijn stelt aan het wijzigen van een ligplaatsvergunning. De rechtbank heeft daarom, zij het op geheel andere gronden, de besluiten op bezwaar terecht vernietigd. Het college moet op die punten dan ook een nieuw besluit nemen.
4.3.    Dit oordeel betekent dat het college ook in deze zaak om dezelfde redenen een nieuw besluit op het bezwaar van Blue Boat Company moet nemen, voor zover dat betrekking heeft op de ligplaatsvergunningen voor de  vaartuigen Amstel Glory, Lido en Amstel Jade.
4.4.    Het betoog slaagt.
Conclusie over de hoger beroepen
5.       Het hoger beroep van het college en het incidenteel hoger beroep van Blue Boat Company zijn gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet, gelet op wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen, worden vernietigd, voor zover de besluiten van 15 juli 2022 over de vaartuigen Amstel Glory, Lido en Amstel Jade zijn herroepen. De rechtbank heeft wel terecht het beroep gegrond verklaard en de besluiten op bezwaar over de drie vaartuigen vernietigd, maar heeft daarbij nagelaten het college op te dragen een nieuw besluit te nemen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling bepalen dat het college over die drie vaartuigen een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van wat in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823, is geoordeeld. Het college krijgt achttien weken om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. De Afdeling zal de uitspraak van de rechtbank voor het overige bevestigen, met verbetering van de gronden waarop deze rust.
6.       Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam gegrond;
II.       verklaart het incidenteel hoger beroep van B.V. Algemene Amsterdamse Rederij Noord-Zuid en Dobber Amsterdam Canal Cruises B.V. gegrond;
III.      vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2024 in zaak nr. 23/1262, voor zover de besluiten van 15 juli 2022, kenmerken: NT2022-001681, NT2022-001685 en NT2022-001697, zijn herroepen en is nagelaten het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op te dragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;
IV.      draagt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op om binnen achttien weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen over de wijziging van de looptijd van de ligplaatsvergunningen voor de vaartuigen Amstel Glory, Lido en Amstel Jade naar bepaalde tijd;
V.       bevestigt voor het overige de aangevallen uitspraak;
VI.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij B.V. Algemene Amsterdamse Rederij Noord-Zuid en Dobber Amsterdam Canal Cruises B.V. in verband met de behandeling van het incidenteel hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. Hoekstra
voorzitter
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
1071