Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:1049

Raad van State

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
202404464/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbWet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Raad van State bij schadevergoeding wegens studievertraging door niet-tijdige inschrijving

Appellant, een student aan een niet-bekostigde hogeschool, vordert schadevergoeding wegens studievertraging veroorzaakt doordat de hogeschool hem niet tijdig inschreef voor cursussen, waardoor hij geen toegang had tot studiemateriaal.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onderzoekt haar bevoegdheid om van het verzoek kennis te nemen. Uit de stukken en de zitting blijkt dat de schade voortvloeit uit een privaatrechtelijke onderwijsovereenkomst en niet uit een bestuursrechtelijk besluit of een daarmee gelijk te stellen handeling.

Op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de Afdeling daarom niet bevoegd om over de schadevergoeding te oordelen. De vordering wordt dan ook niet inhoudelijk behandeld en de hogeschool hoeft geen proceskosten te vergoeden.

De Afdeling verklaart zich onbevoegd en spreekt dit uit in een openbare zitting op 25 februari 2026.

Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot schadevergoeding wegens studievertraging.

Uitspraak

202404464/1/A2
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
de NOVI Hogeschool B.V. (de Hogeschool),
verweerder.
Procesverloop
Bij e-mail van 10 juli 2024 heeft [appellant] bij de Afdeling een verzoek ingediend om de Hogeschool te veroordelen tot vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden door het handelen van de Hogeschool.
De Hogeschool heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 5 december 2025, waar [appellant] en de Hogeschool, vertegenwoordigd door P. Akkermans, beiden via een videoverbinding, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] volgt een opleiding aan de Hogeschool. Dit is een niet-bekostigde onderwijsinstelling voor hoger onderwijs, die naast geaccrediteerde opleidingen die leiden tot een graad op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek ook cursussen aanbiedt waarvoor dat niet geldt.
2.       [appellant] stelt dat hij door het handelen van de Hogeschool studievertraging heeft opgelopen. De Hogeschool heeft hem namelijk niet (tijdig) ingeschreven voor cursussen. Hij had hierdoor geen toegang tot studiemateriaal. [appellant] heeft de Afdeling verzocht om de Hogeschool te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden schade.
Beoordeling van het verzoek
3.       De Afdeling beantwoordt eerst de vraag of zij bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.
4.       Uit de stukken en wat ter zitting met partijen is besproken, volgt dat de door [appellant] gestelde schade samenhangt met de tussen hem en de onderwijsinstelling gesloten privaatrechtelijke onderwijsovereenkomst en niet voortvloeit uit een besluit of een daarmee gelijk te stellen handeling van een bestuursorgaan. De Afdeling is daarom, gelet op artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, niet bevoegd om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen.
5.       De Hogeschool hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. W. den Ouden, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
284-1062