Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wijzigde bij zes besluiten van 15 juli 2022 ligplaatsvergunningen van Flagship Holding B.V. en Rederij Friendship B.V. van onbepaalde tijd naar bepaalde tijd met verschillende einddata. Na bezwaar verklaarde het college deze bezwaren ongegrond en verlengde de vergunningen bij besluiten van 22 april 2024. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen het bezwaarbesluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen de verlengingsbesluiten ongegrond.
Flagship en Friendship stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat sprake was van een verandering van omstandigheden zoals vereist in artikel 2.2.6 van de Verordening op het binnenwater en onvoldoende was ingegaan op de eisen van de Dienstenrichtlijn. Hierdoor moesten de besluiten worden vernietigd en moest het college een nieuw besluit nemen.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de bestreden besluiten, en droeg het college op binnen achttien weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan Flagship en Friendship. De zaak kent een samenhang met andere zaken waarin gelijktijdig uitspraak is gedaan.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de besluiten van het college Amsterdam en draagt op tot een nieuw besluit binnen achttien weken.
Uitspraak
202406393/1/A3.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
I. Flagship Holding B.V., gevestigd in Amsterdam,
II. Rederij Friendship B.V., gevestigd in Amsterdam,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2024 in zaak nr. 23/1562 in het geding tussen:
Flagship en Friendship
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij zes besluiten van 15 juli 2022 heeft het college de ligplaatsvergunningen van Flagship en Friendship voor onbepaalde tijd gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2026, 1 maart 2028 en 1 maart 2030.
Bij besluit van 23 januari 2023 heeft het college de door Flagship en Friendship daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij zes besluiten van 22 april 2024 heeft het college de ligplaatsvergunningen van Flagship en Friendship verlengd tot 1 maart 2028, 1 maart 2030 en 1 maart 2032.
Bij uitspraak van 9 september 2024 heeft de rechtbank het door Flagship en Friendship tegen het besluit van 23 januari 2023 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het besluit van 22 april 2024 heeft de rechtbank ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben Flagship en Friendship hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting van 30 oktober 2025 behandeld, waar Flagship en Friendship, vertegenwoordigd door mr. J. Monster, rechtsbijstandverlener in Leiden, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.S. Jaasma, mr. M.R. Botman en mr. D.K. Jongkind, advocaten in Den Haag, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college ligplaatsvergunningen gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2028, 1 maart 2030 en 1 maart 2032. Het college heeft de gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de rechtbank heeft het beroep tegen de verlengingsbesluiten van 22 april 2024 ongegrond verklaard.
2. De Afdeling heeft in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823, een oordeel gegeven over de besluitvorming van het college om de ligplaatsvergunningen te wijzigen. In die uitspraak komt de Afdeling tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een verandering van omstandigheden of inzichten als bedoeld in artikel 2.2.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening op het binnenwater. Eveneens is het college niet of onvoldoende ingegaan op de eisen die de Dienstenrichtlijn stelt aan het wijzigen van een ligplaatsvergunning. Het college moet op die punten dan ook een nieuw besluit nemen.
3. Dit oordeel betekent dat het college ook in deze zaak om dezelfde redenen een nieuw besluit op het bezwaar van Flagship en Friendship moet nemen.
4. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen tegen de besluiten van 23 januari 2023 en 22 april 2024 gegrond verklaren en die besluiten vernietigen. Dat betekent dat het college een nieuw besluit op het bezwaar van Flagship en Friendship moet nemen met inachtneming van wat in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823, is geoordeeld. Het college krijgt achttien weken om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.
5. Het college moet de proceskosten vergoeden. De gemachtigde heeft in deze zaak en de zaken nrs. 202406382/1/A3 en 202406383/1/A3, in welke zaken ook vandaag uitspraak is gedaan, nagenoeg gelijkluidende stukken ingediend. Ook zijn de zaken gelijktijdig op een zitting behandeld. Dit zijn daarom samenhangende zaken in de zin van artikel 3 vanPro het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze zaken worden voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten voor rechtsbijstand als één zaak beschouwd, waarbij wegingsfactor 1 wordt toegepast omdat het er minder dan vier zijn (onderdeel C2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht).
De vergoeding voor het beroep en hoger beroep moet worden verdeeld over de drie appellanten in deze zaken, wat neerkomt op een bedrag van € 1.556,67 per appellant(e).
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de hoger beroepen gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2024 in zaak nr. 23/1562;
III. verklaart de beroepen tegen de besluiten van 23 januari 2023, kenmerk: JB.22.014238.001 en JB.22.014253.001, en 22 april 2024, kenmerken: NT2024-000850, NT2024-000870, NT2024-000871, NT2024-000872, NT2024-000873 en NT2024-000874, gegrond;
IV. vernietigt die besluiten;
V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op om binnen achttien weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;
VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij Flagship Holding B.V. en Rederij Friendship B.V. in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.556,67, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan Flagship Holding B.V. het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 559,00 vergoedt;
VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan Rederij Friendship B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 924,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.