202405460/1/A2.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Havengezicht Residence B.V. (hierna: Havengezicht), gevestigd in Amsterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 juli 2024 in zaak nr. 22/5245 in het geding tussen:
Havengezicht Residence B.V.
en
het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen.
Procesverloop
Bij besluit van 2 december 2021 heeft het college aan [exploitatiemaatschappij] ([exploitatiemaatschappij]) twee lasten onder dwangsom opgelegd wegens het inrichten een gedeelte van de openbare weg als parkeergelegenheid tegenover [locatie 1]-[locatie 2] in Vinkeveen.
Bij besluit van 15 september 2022 heeft college het door [exploitatiemaatschappij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Na het instellen van beroep is de eigendom van het perceel van [exploitatiemaatschappij] via een derde overgegaan op Havengezicht.
Bij uitspraak van 25 juli 2024 heeft de rechtbank het door [exploitatiemaatschappij] ingestelde en door havengezicht overgenomen beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Havengezicht hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[partij] en Havengezicht hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 november 2025, waar Havengezicht ., vertegenwoordigd door J.H. Roks en F. van der Linden, bijgestaan mr. W. Leistra, advocaat in Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door P.M.L. van der Schot en W.F. Gorddijn, zijn verschenen. Verder is ter zitting [partij], vertegenwoordigd door mr C.A. van Kooten-de Jong, advocaat in Montfoort, als partij gehoord.
Overwegingen
1. [exploitatiemaatschappij] was eigenaar van het perceel [locatie 1]-[locatie 2] in Vinkenveen. Daar exploiteerde zij de Jachthaven De Wilgenhoek. Aan de [locatie 3] exploiteert [partij] Jachthaven Vinkenveen. [partij] heeft het college verzocht handhavend op te treden tegen [exploitatiemaatschappij] omdat zij een deel van de openbare weg zou hebben ingericht als privéparkeerplaats. Na controle door een toezichthouder heeft het college aan [exploitatiemaatschappij] twee lasten onder dwangsom opgelegd. De lasten onder dwangsom hielden kort samengevat in dat [exploitatiemaatschappij] voor 17 december 2021 de belijning van het parkeervak en de bebording die zag op de parkeervoorziening moest verwijderen en verwijderd moest houden. Het college heeft het bezwaar tegen de lasten ongegrond verklaard. Nadat [exploitatiemaatschappij] bij de rechtbank beroep heeft ingesteld is het perceel overgegaan op Havengezicht. Havengezicht heeft als rechtsopvolger de beroepsprocedure overgenomen.
2. De rechtbank heeft overwogen dat uit de overgelegde wegenlegger blijkt dat die ook betrekking heeft op de Groenlandse kade, aangeduid met nummer 23 en dat uit de versie uit 1968 volgt dat ter hoogte van de Groenlandse kade is voorzien in 15 uitwijkmogelijkheden. Dit rechtvaardigt volgens de rechtbank het vermoeden dat de strook destijds al bestond en tot de openbare weg van de Groenlandse kade behoorde. Een weg die op een wegenlegger voorkomt, wordt in beginsel aangemerkt als openbaar, tenzij bewezen wordt dat de weg heeft opgehouden openbaar te zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is Havengezicht onvoldoende erin geslaagd om aan te tonen dat de strook gedurende dertig achtereenvolgende jaren niet voor iedereen toegankelijk is geweest. Daarmee is de strook niet aan de openbaarheid onttrokken. Het college is dus bevoegd om handhavend op te treden. Er bestonden geen bijzondere omstandigheden om van invordering af te zien.
3. Wat Havengezicht in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft de Afdeling geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank in de onder 12, 14, 15 en 17 tot en met 24 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt hieraan toe dat als een weg eenmaal openbaar is, het aanbrengen van (tijdelijke) borden en (tijdelijke) wegmarkeringen onvoldoende is om afbreuk te doen aan de openbaarheid (zie de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:129). Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. C.H. Bangma, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzitter
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
284-1043