ECLI:NL:RVS:2026:108
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel na niet-in-behandeling-neming
Appellant heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is bij besluit van 28 oktober 2025 niet in behandeling genomen. Appellant heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die bij uitspraak van 12 december 2025 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het hoger beroep beoordeeld en geoordeeld dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. De motivering van de rechtbank is overgenomen zonder nadere motivering, omdat het hogerberoepschrift geen relevante vragen bevat voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming.
Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen. De minister is niet verplicht proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 12 januari 2026 door voorzieningenrechter A. Kuijer.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.