ECLI:NL:RVS:2026:1107

Raad van State

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
202503600/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 Wet hersteloperatie toeslagenArt. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herbeoordeling kinderopvangtoeslag wegens te late aanvraag

De appellant verzocht op 11 april 2024 om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen wees deze aanvraag af omdat deze te laat was ingediend, namelijk na 1 januari 2024, zoals bepaald in artikel 6.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen.

Het bezwaar van appellant tegen deze afwijzing werd door het college ongegrond verklaard bij besluit van 7 november 2024. Vervolgens verklaarde de rechtbank het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond op 1 mei 2025.

In hoger beroep bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze uitspraak. De Afdeling oordeelt dat de bijzondere omstandigheden die appellant aanvoert reeds voldoende zijn meegewogen door de wetgever en dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant wel degelijk is uitgenodigd voor de zitting, ondanks haar stelling van het tegendeel.

Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag wegens te late indiening.

Uitspraak

202503600/1/A2.
Datum uitspraak: 20 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­Nederland van 1 mei 2025 in zaak nr. 24/8189 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Dienst Toeslagen.
Openbare zitting gehouden op 20 februari 2026 om 13:45 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer;
mr. M.M. Engele, griffier.
Verschenen:
[appellant], bijgestaan door mr. S.N. Ali, advocaat te Almere, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. M.M. Odijk.
Bij besluit van 3 juli 2024 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van [appellant] om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag afgewezen. Het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van 7 november 2024 ongegrond verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank, waarin het beroep van [appellant], tegen het besluit van 7 november 2024, ongegrond is verklaard.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden
1.       [appellant] heeft de Dienst Toeslagen op 11 april 2024 verzocht om een herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag.
2.       De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen niet in behandeling genomen, omdat de aanvraag te laat, namelijk na 1 januari 2024, is ingediend.
3.       De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat de bijzondere omstandigheden waar [appellant] zich op beroept, voldoende zijn verdisconteerd in de afwegingen van de wetgever. De Afdeling kan zich vinden in dat oordeel en in de onder 3 tot en met 5.2 van de uitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan het volgende toe. De Afdeling volgt [appellant] niet in haar betoog dat zij niet is uitgenodigd voor de behandeling van haar zaak op de zitting van 1 mei 2025 bij de rechtbank. De Afdeling stelt vast dat het rechtbankdossier een uitnodigingsbrief voor de zitting bevat geadresseerd aan het kantooradres van de gemachtigde van [appellant]. Uit de  zittingsaantekeningen van de rechtbank blijkt verder dat de rechtbank heeft opgemerkt dat [appellant] en haar gemachtigde niet zijn verschenen op de zitting, dat de rechtbank de uitnodigingen heeft gecheckt, heeft vastgesteld dat deze aangetekend zijn verstuurd en niet retour zijn gekomen. De enkele stelling van [appellant] dat zij de uitnodiging niet heeft ontvangen, is in dit geval onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de rechtbank haar niet heeft uitgenodigd voor de zitting.
4.       Het hoger beroep is ongegrond.
5.       De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Engele
griffier
1033