ECLI:NL:RVS:2026:1108
Raad van State
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging oplegging Educatieve Maatregel Drugs en Verkeer na weigering bloedonderzoek
Op 11 april 2024 werd appellant staande gehouden door de politie Eenheid Noord-Holland omdat hij een mobiele telefoon vasthield tijdens het rijden. Na het uitschrijven van een bekeuring werd een speekseltest afgenomen die wees op vermoedelijk cannabisgebruik. De verbalisant beval appellant zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek, maar appellant pakte de speekseltest van de motorfiets van de verbalisant en rende weg.
Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) legde appellant op 30 april 2024 een Educatieve Maatregel Drugs en Verkeer (EMD) op op grond van artikel 131 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 18 juli 2024 ongegrond werd verklaard door het CBR.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit van 18 juli 2024 ongegrond. Appellant voerde aan dat hij niet de bestuurder was die op 11 april 2024 werd staande gehouden. De Afdeling bestuursrechtspraak volgt het oordeel van de rechtbank dat de betwistingen onvoldoende zijn om te twijfelen aan de bevindingen in het proces-verbaal. De verbalisant heeft de bestuurder voldoende duidelijk omschreven.
Hoewel appellant op 5 november 2024 door de strafrechter werd vrijgesproken, leidt dit niet tot het vervallen van het vermoeden op grond van artikel 130 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, mede omdat de vrijspraak niet gemotiveerd is. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt het besluit van het CBR. Proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het CBR tot oplegging van een EMD wordt bevestigd.