ECLI:NL:RVS:2026:111
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking verblijfsvergunning wegens arbeidsoverwegingen
Appellant, houder van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als familie- of gezinslid, kreeg deze vergunning ingetrokken door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vanwege het beëindigen van zijn relatie en het vermeende ontbreken van een jaar legale arbeid in Nederland.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat appellant geacht moet worden een jaar legale arbeid te hebben verricht conform artikel 6, eerste lid, van Besluit nr. 1/80, en dat hij recht heeft op verlenging van zijn verblijfsrecht. De minister stelde zich echter in een nieuw besluit op bezwaar opnieuw op het standpunt dat appellant niet aan deze voorwaarde voldeed.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat de rechtbank in haar latere uitspraak onterecht voorbijging aan haar eerdere onherroepelijke oordeel, waarmee het gezag van gewijsde werd miskend. Daarom vernietigt de Afdeling de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 20 juni 2024 en beveelt de minister een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het eerdere oordeel.
Daarnaast veroordeelt de Afdeling de minister tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht die appellant heeft gemaakt in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van het eerdere oordeel dat appellant recht heeft op verlenging van zijn verblijfsrecht.