ECLI:NL:RVS:2026:1141

Raad van State

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
28 februari 2026
Zaaknummer
202506086/2/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • A.B. Blomberg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 8:81 AwbArt. 5.116 OmgevingsplanArt. 5.120 OmgevingsplanOmgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bescherming bosje Kerkewijk in omgevingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal heeft op 11 november 2025 het besluit genomen tot wijziging van het omgevingsplan, waarbij onder meer technische en inhoudelijke aanpassingen zijn doorgevoerd. Verzoeker, wonend nabij het bosje Kerkewijk, vordert dat het bosje beschermd wordt in het omgevingsplan zodat bomen niet zonder vergunning gekapt kunnen worden. Hij stelt dat het college dit had moeten regelen in het besluit tot wijziging en dat het besluit daardoor onzorgvuldig tot stand is gekomen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker een zienswijze heeft ingediend en daarom in de bodemprocedure ontvankelijk zal zijn. Het bosje heeft de bestemming 'Groen' zonder bouwvlak, en het besluit tot wijziging brengt geen nieuwe ontwikkelingen of wijzigingen in de kapvergunningplicht. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat er op korte termijn bomen gekapt zullen worden. Belanghebbende, eigenaar van het bosje, verklaarde geen kapplannen te hebben behalve regulier onderhoud.

Gezien het ontbreken van een spoedeisend belang wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A.B. Blomberg op 2 maart 2026.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening die het kappen van bomen in het bosje Kerkewijk zonder vergunning verbiedt, wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

202506086/2/R4.
Datum uitspraak: 2 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend in Veenendaal,
verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 11 november 2025 heeft het college het "Wijzigingsbesluit 3e wijziging Omgevingsplan, deel I" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Veenendaal vastgesteld (het besluit tot wijziging).
Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
[verzoeker] en het college hebben nadere stukken ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 20 februari 2026, waar [verzoeker], vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. F. Barchouch en A.E. van de Weerdhof-Hulshof, zijn verschenen. Verder is op de zitting [belanghebbende] gehoord.
Overwegingen
1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.       Het besluit tot wijziging betreft de derde wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Veenendaal. Met het besluit tot wijziging worden een aantal technische aanpassingen en een aantal inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd in het omgevingsplan. De inhoudelijke wijzigingen betreffen het corrigeren en de actualisatie van verschillende algemene regels uit het omgevingsplan. Er is met het besluit tot wijziging niet voorzien in nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving.
3.       [verzoeker] woont op de [locatie A] in Veenendaal. Zijn perceel grenst aan een perceel met bomen, het zogenoemde ‘bosje Kerkewijk’, waarvan [belanghebbende] de eigenaar is. [verzoeker] wil dat het bosje beschermd wordt in het omgevingsplan, zodat daarbinnen geen bomen gekapt kunnen worden zonder omgevingsvergunning. Hij vindt dat het college dit had moeten regelen in het besluit tot wijziging. Nu dat niet is gebeurd, is het besluit tot wijziging volgens [verzoeker] onzorgvuldig tot stand gekomen. Zijn verzoek strekt ertoe dat de voorzieningenrechter bepaalt dat zonder omgevingsvergunning geen bomen mogen worden gekapt of houtopstanden mogen worden geveld in het bosje.
Partijen verschillen van mening over de vraag of het college de wens van [verzoeker] om de bomen in het besluit tot wijziging te beschermen had moeten betrekken bij de voorbereiding van dat besluit.
4.       Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep van [verzoeker] niet ontvankelijk is, omdat hij geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter stelt vast dat [verzoeker] een zienswijze heeft ingediend. Alleen daarom al gaat de voorzieningenrechter er, gelet op de uitspraken van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953 (zie met name rechtsoverweging 4.7), en 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1928 (zie met name rechtsoverweging 3.3) van uit dat het beroep van [verzoeker] in de bodemprocedure ontvankelijk zal zijn.
5.       De voorzieningenrechter kan, gelet op het bepaalde in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het college stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening. [verzoeker] heeft toegelicht dat zijn spoedeisend belang erin is gelegen dat op dit moment ter plaatse van het bosje zonder omgevingsvergunning bomen kunnen worden gekapt of houtopstanden kunnen worden geveld. Hij wil voorkomen dat dit daadwerkelijk gebeurt voordat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure. Hij vreest dat de fysieke leefomgeving anders onherstelbaar wordt aangetast.
5.1.    Ter plaatse van het bosje geldt het bestemmingsplan "Woongebieden 2018". Dat bestemmingsplan maakt sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Veenendaal. Om het wat betreft terminologie niet onnodig ingewikkeld te maken, zal de Afdeling in het vervolg van de uitspraak echter nog steeds spreken over het bestemmingsplan. In dat bestemmingsplan is aan het bosje de bestemming "Groen" toegekend zonder aanduiding "bouwvlak". Op grond van de regels van dat bestemmingsplan is het niet toegestaan om op de locatie van het bosje bebouwing op te richten. Het voorliggende besluit tot wijziging heeft geen betrekking op het bestemmingsplan en voorziet dus ook niet in wijzigingen van de toegestane gebruiks- en bouwmogelijkheden.
Verder is tussen partijen niet in geschil dat het bosje in het omgevingsplan, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van het besluit tot wijziging (het voorgaande regime), niet was aangemerkt als gemeentelijke houtopstand en ook niet binnen het gebied "waardevolle bomen" lag. Op grond van artikel 5.120, eerste lid, van de regels van dat omgevingsplan bestond dan ook geen vergunningplicht voor de activiteit kappen. Ook is niet in geschil dat het besluit tot wijziging hierin geen veranderingen heeft gebracht. Met dit besluit is slechts de naam ‘gebied "waardevolle bomen"’ veranderd in ‘locatie "beschermde bomen"’ en daarnaast is de inhoud van de hiervoor vermelde bepaling verplaatst naar artikel 5.116, eerste en tweede lid, van de regels van het omgevingsplan zonder dat die bepaling inhoudelijk is gewijzigd. De locatie "beschermde bomen" zelf is met het besluit tot wijziging ook niet gewijzigd.
5.2.    Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaan er geen concrete aanknopingspunten op grond waarvan gevreesd moet worden dat binnen het bosje op korte termijn bomen of houtopstanden gekapt of geveld zullen worden. Op de locatie van het bosje is alleen gebruik toegelaten dat past binnen de bestemming "Groen" en omdat de gronden ter plaatse van het bosje niet de aanduiding "bouwvlak" hebben mag daar geen bebouwing worden opgericht. Het besluit tot wijziging voorziet ook niet in nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving ter plaatse van het bosje. Verder gold er ook onder het voorgaande regime geen kapvergunningplicht voor het bosje. Er is dus geen kapvergunningplicht vervallen door het besluit tot wijziging. Niet is gebleken dat er op dit moment concrete plannen zijn om ter plaatse van het bosje iets te ontwikkelen. Op de zitting heeft [belanghebbende] verklaard dat hij op korte termijn niet voornemens is om bomen te kappen of houtopstanden te vellen binnen het bosje voor zover dat niet noodzakelijk is voor het reguliere onderhoud en het normale beheer van het bosje. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is met het verzoek om voorlopige voorziening dan ook geen spoedeisend belang gemoeid dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.
6.       Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F. Huussen, griffier.
w.g. Blomberg
voorzieningenrechter
w.g. Huussen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2026
1070