202505768/1/R1 en 202505768/2/R1.
Datum uitspraak: 14 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:
[appellant], wonend in Hoorn,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Hoorn,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 30 september 2025 heeft het college onder meer de locatie BH71R ter hoogte van de West 9 in Hoorn aangewezen voor de plaatsing van een ondergrondse restafval container en een zogenoemde "GFE-cocon".
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
[appellant] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het college heeft nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 december 2025, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. S.E.J.M. Bogaarts en mr. C.C.M. Haring, zijn verschenen.
Partijen hebben toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Overwegingen
Inleiding
1. De aangewezen locatie ligt tegenover de woning van [appellant] aan de [locatie] in Hoorn. [appellant] kan zich niet verenigen met de aangewezen locatie en heeft daarom beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om het bestreden besluit voor de locatie BH71R te schorsen.
In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Correspondentie omtrent de besluitvorming
2. [appellant] betoogt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat de bewoners van West 1 tot en met 23 geen correspondentie hebben ontvangen over de besluitvorming.
2.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
2.2. Het betoog van [appellant] houdt geen verband met zijn eigen belangen. Artikel 8:69a van de Awb staat er daarom aan in de weg dat de voorzieningenrechter het bestreden besluit zou vernietigen in verband met het door [appellant] veronderstelde gebrek. Het betoog hoeft daarom niet inhoudelijk te worden besproken. De voorzieningenrechter voegt daar aan toe dat de zienswijze van [appellant] door het college in de besluitvorming is meegenomen en dat het college op wat hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft gereageerd.
Toetsingskader
3. Bij de keuze van een locatie voor afvalcontainers moet het college een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het locatieplan. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De voorzieningenrechter beoordeelt, aan de hand van de beroepsgronden, of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Daarbij beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van afvalcontainers.
GFE-cocon
4. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom het bestreden besluit afwijkt van het ontwerpbesluit. In het bestreden besluit is de locatie namelijk aangewezen voor de plaatsing van een GFE-cocon, terwijl de GFE-cocon niet staat afgebeeld op de afbeelding bij ontwerpbesluit.
4.1. Het college heeft erop gewezen dat de aangewezen locatie in het ontwerpbesluit genoemd staat in een tabel onder de tekst "Aangewezen locaties ondergrondse containers en bovengrondse GFT/GFE cocons". Daarnaast stelt de voorzieningenrechter vast dat op de afbeelding waarop [appellant] heeft gewezen onder "Opmerkingen" staat: "bovengrondse GFE-cocon wordt binnen een straal van 5 meter van de restcontainer geplaatst". Uit het ontwerpbesluit kan daarom worden afgeleid dat het voornemen bestond om de locatie ook aan te wijzen voor de plaatsing van een GFE-cocon.
De veronderstelling van [appellant] dat het bestreden besluit op dit punt is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbesluit, mist feitelijke grondslag. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt een gebrek in de motivering bevat.
Het betoog slaagt niet.
Trillingen
5. [appellant] betoogt dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de mogelijke gevolgen van trillingen die ontstaan door het gebruik van de afvalcontainers. Hij vreest met name dat de weg langs de aangewezen locatie en het riool dat daaronder loopt, niet bestand zullen zijn tegen het zware ledigingsvoertuig dat de afvalcontainers frequent zal legen. Daarnaast vreest hij voor schade aan monumentale panden in de omgeving van de aangewezen locatie, waaronder zijn woning.
5.1. Niet is gebleken dat er op de weg die langs de aangewezen locatie loopt, specifieke beperkingen gelden voor zwaar verkeer. [appellant] heeft daarnaast geen concrete gegevens aangedragen waaruit afgeleid kan worden dat de weg ongeschikt is voor het ledigingsvoertuig. Verder heeft het college gemotiveerd dat de containers op voldoende afstand tot bebouwing worden geplaatst om schade aan die bebouwing te voorkomen. De staat van het riool is volgens het college hetzelfde is als in de rest van de omgeving. De voorzieningenrechter ziet in het dossier en in wat door [appellant] is aangevoerd geen aanknopingspunten om aan de motivering van het college te twijfelen. Er bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college de locatie vanwege de mogelijke gevolgen van trillingen redelijkerwijs niet geschikt heeft mogen achten.
Het betoog slaagt niet.
Verkeersveiligheid
6. [appellant] betoogt dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de mogelijke gevolgen voor de verkeersveiligheid van het bestreden besluit.
6.1. De voorzieningenrechter overweegt dat het college de aangewezen locatie vanuit het oogpunt van de verkeersveiligheid aanvaardbaar heeft mogen achten. Het college heeft gemotiveerd dat de aangewezen locatie zich in een woonwijk bevindt waar de verkeerssnelheden laag zijn, en dat het legen van de afvalcontainers slechts enkele minuten in beslag neemt. Het betoog biedt geen aanleiding om aan de juistheid van die motivering te twijfelen. Evenmin is gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat het college in de gevolgen voor het verkeer toch reden had moeten zien om de locatie niet aan te wijzen.
Het betoog slaagt niet.
Monumentale waarden en straatbeeld
7. [appellant] betoogt dat de afvalcontainers op de aangewezen locatie de monumentale waarde van de gebouwen in de omgeving zullen aantasten en een negatieve invloed zullen hebben op het straatbeeld. Volgens hem heeft het college deze belangen onvoldoende betrokken bij zijn afweging om het bestreden besluit vast te stellen. Volgens hem is het bestreden besluit ook in strijd met de Monumentenverordening Hoorn, de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving.
7.1. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college vanwege de nabijheid van monumenten of vanwege het straatbeeld de locatie niet heeft mogen aanwijzen.
Daarbij is met name van belang dat de afvalcontainers volgens het college een beperkte (bovengrondse) omvang hebben. Daarnaast is van belang dat het in deze procedure slechts gaat om de vraag of het college deze concrete locatie voor de plaatsing van afvalcontainers heeft mogen aanwijzen. De keuze van het gemeentebestuur om in de binnenstad van Hoorn voor de inzameling van afval gebruik te maken van ondergrondse restafvalcontainers en GFE-cocons ligt in deze procedure niet ter beoordeling voor. Het college heeft becijferd dat in de gemeente Hoorn 847 monumenten staan, waarvan de meeste in de binnenstad. Volgens het college zullen locaties voor afvalcontainers in de binnenstad van Hoorn zich daarom in de meeste gevallen in de buurt van monumenten bevinden. Het feit dat een aantal gebouwen in de omgeving van de locatie zijn aangewezen als monument, onderscheidt de locatie daarom niet met de rest van de binnenstad van Hoorn, en is dan ook geen bijzondere omstandigheid die maakt dat het college reden had moeten zien om de locatie niet aan te wijzen.
[appellant] heeft verder niet onderbouwd op welke wijze het bestreden besluit in strijd zou zijn met de door hem aangehaalde regelingen.
Het betoog slaagt niet.
Bijplaatsen van afval
8. [appellant] betoogt dat de afvalcontainers zullen leiden tot hinder doordat mensen hun afval naast de containers zullen plaatsen. Ter onderbouwing van dit betoog wijst hij op foto’s die hij heeft gemaakt van afvalcontainers in Hoorn waarbij afval naast of op de containers is geplaatst.
8.1. Het college heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat het tegengaan van bijplaatsen van afval een kwestie van handhaving is. Een eventueel gebrekkige handhaving tast de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet aan. Als [appellant] constateert dat er afval wordt bijgeplaatst bij de afvalcontainers nadat die eenmaal gerealiseerd zijn, kan hij het college verzoeken om hiertegen handhavend op te treden. Zie ter vergelijking de uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2724, onder 6.1 en de uitspraak van de Afdeling van 10 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4327, onder 5.2. Het betoog slaagt niet.
8.2. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat het college heeft bestreden dat er beperkte handhaving zal zijn, en dat het heeft toegezegd tijdens de implementatieperiode extra controles uitgevoerd zullen worden om bijplaatsen tegen te gaan.
Alternatieve locaties
9. [appellant] betoogt dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar alternatieve locaties die aangewezen zouden kunnen worden voor de plaatsing van de afvalcontainers.
9.1. [appellant] heeft in beroep en ook in zijn zienswijze geen alternatieve locaties aangedragen die volgens hem geschikter zijn voor de plaatsing van de afvalcontainers dan de aangewezen locatie. Voor zover in de zienswijzeprocedure door anderen alternatieve locaties zijn aangedragen, heeft het college in het verslag van de beantwoording van de zienswijzen gemotiveerd waarom die locaties volgens hem niet geschikter zijn dan de aangewezen locatie. [appellant] heeft niet aangegeven waarom die motivering onjuist zou zijn. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college in dit verband meer had moeten onderzoeken dan dat het heeft gedaan.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie en proceskosten
10. Het beroep is ongegrond.
11. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
12. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep ongegrond;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.I. van der Schoot, griffier.
w.g. Daalder
voorzieningenrechter
w.g. Van der Schoot
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026
195-1082