ECLI:NL:RVS:2026:12
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel door minister van Asiel en Migratie
Op 7 januari 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in een hoger beroep van twee appellanten tegen de minister van Asiel en Migratie. De zaak betreft de aanvragen van de appellanten om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 25 september 2025 niet in behandeling zijn genomen. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, had op 4 december 2025 de beroepen van de appellanten ongegrond verklaard. De appellanten, vertegenwoordigd door mr. A.E. Martinez Linnemann, hebben hiertegen hoger beroep ingesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in haar uitspraak de motivering van de rechtbank overgenomen en geconcludeerd dat het hoger beroep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld en het hogerberoepschrift bevatte geen vragen die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moesten worden. Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en is de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister is niet verplicht om proceskosten te vergoeden.
De uitspraak is openbaar uitgesproken op 7 januari 2026, waarbij mr. J.H. van Breda als lid van de enkelvoudige kamer de beslissing heeft vastgesteld, in tegenwoordigheid van mr. S. van Driesten, griffier.