AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vaststelling noodzaak branddetectiesysteem in afvalrecyclinginrichting Metabel
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant verleende op 21 augustus 2020 een omgevingsvergunning aan Metabel voor het veranderen en in werking hebben van een afvalrecyclinginrichting in Deurne. Het besluit bevatte een voorschrift dat een branddetectiesysteem conform NEN 2535 met automatische doormelding verplicht stelt in verschillende delen van de inrichting, waaronder hal 31, hal 46 en de buitenopslagplaatsen Z1 en Z2.
De rechtbank Oost-Brabant vernietigde het besluit vanwege onvoldoende motivering van de noodzaak van het branddetectiesysteem, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat het college in de beroepsfase alsnog voldoende had gemotiveerd. Zowel Metabel als het college gingen in hoger beroep tegen delen van deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college de noodzaak van het branddetectiesysteem in hal 46, Z1 en Z2 voldoende heeft gemotiveerd, mede op basis van het advies van de Veiligheidsregio en de aard van de opgeslagen gevaarlijke afvalstoffen. Het hoger beroep van Metabel wordt ongegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van het college gegrond. Tevens wordt het college veroordeeld tot een aangepaste vergoeding van proceskosten en wordt aan Metabel een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Het branddetectiesysteem is noodzakelijk en het hoger beroep van Metabel wordt ongegrond verklaard; het college krijgt een aangepaste proceskostenvergoeding en Metabel een schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.
Uitspraak
202203193/1/R4.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. Metabel B.V., gevestigd in Deurne,
2. het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 12 april 2022 in zaak nr. 20/2731 in het geding tussen:
Metabel
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 21 augustus 2020 heeft het college aan Metabel een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen en in werking hebben van een inrichting voor het inzamelen, opslaan, overslaan, bewerken, verwerken, mengen en verhandelen van metaalhoudende afvalstoffen in haar inrichting aan de Ampèrestraat 3 in Deurne (het perceel).
Bij uitspraak van 12 april 2022 heeft de rechtbank, voor zover relevant, het door Metabel daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 augustus 2020 vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven en het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van Metabel tot een bedrag van € 12.285,56.
Tegen deze uitspraak heeft Metabel hoger beroep ingesteld.
Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Metabel heeft een zienswijze naar voren gebracht.
Metabel heeft nadere stukken ingediend.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 27 mei 2025, waar Metabel, vertegenwoordigd door mr. drs. W.J.W. van Eijk, advocaat in ‘s-Hertogenbosch, [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. F.C.S. Warendorf, J.C. Priester en C.Y. Hoff, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 14 oktober 2016. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Metabel is een afvalrecyclingbedrijf dat metaalhoudende afvalstoffen inzamelt, opslaat, verwerkt, vermengt en verhandelt. Bij het besluit van 21 augustus 2020 heeft het college aan Metabel een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo om een inrichting te veranderen en in werking te hebben. Dit betreft een zogenoemde revisievergunning als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, van de Wabo, waarmee de eerder voor de inrichting verleende vergunningen zijn vervangen.
De inrichting bestaat uit verschillende onderdelen waaronder de overdekte hallen 31 en 46 en de niet overdekte buitenopslagplaatsen Z1 en Z2. Hal 31 bevindt zich aan de oostzijde van het perceel en hal 46 bevindt aan de westzijde van het perceel. Z1 en Z2 liggen naast elkaar tussen die hallen. Z1 en Z2 liggen op ruim 10 m ten westen van hal 31. Zij worden met een brandwerende muur gescheiden van hal 46 en andere bebouwing aan de westzijde van het perceel. Tussen hal 31 en Z2, tegen de buitenmuur van hal 31, bevinden zich zones waar onder meer lege houtpallets mogen worden opgeslagen. Hal 46 is gesitueerd in een loods die Metabel deelt met kabelschrootbedrijf OSBO/KSM International B.V. Die loods is 7 m hoog. Een interne muur van 4 m hoog scheidt hal 46 van het gedeelte van OSBO/KSM waar kopergranulaat en kabelschroot wordt opgeslagen.
Metabel verwerkt en vermengt afvalstoffen, waaronder gevaarlijke afvalstoffen, in hal 31. Het gaat onder meer om nikkelverbindingen en zink-, koper-, tin- en loodhoudend afval. Deze afvalstoffen mogen in bulk of verpakt worden opgeslagen in hal 31 en mogen, voor en na verwerking of vermenging, verpakt worden opgeslagen in hal 46, Z1 en Z2. Deze verpakte afvalstoffen bestaan meestal uit poedervormige metalen. Hoewel deze poeders gevaarlijk stoffen kunnen bevatten, zijn ze niet brandgevaarlijk. Daarnaast verwerkt Metabel in de inrichting brandgevaarlijke koperhoudende filterdoeken. Deze filterdoeken mogen los worden opgeslagen in hal 31 en verpakt worden opgeslagen in hal 46, Z1 en Z2. In hal 46 staan ook een elektrische schrootpers en een elektrische heftruck. In de inrichting mag op enig moment maximaal 6.265 ton metaalafval worden opgeslagen.
3. Het college heeft onder meer voorschrift 6.4.1 aan de revisievergunning verbonden (het voorschrift). Op grond van het voorschrift moet een doelmatig branddetectiesysteem conform NEN 2535, dat is voorzien van een automatische doormelding naar een particuliere meldkamer (het branddetectiesysteem), aanwezig zijn in hal 31, hal 46, Z1 en Z2.
Aangevallen uitspraak en geschilpunt
4. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de noodzaak om het voorschrift aan de revisievergunning te verbinden onvoldoende heeft gemotiveerd in het besluit van 21 augustus 2020. Mede daarom heeft de rechtbank het beroep van Metabel gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, omdat zij van oordeel is dat het college in de beroepsfase de noodzaak van het voorschrift alsnog voldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft daarbij onder meer gewezen op het door het college in beroep overgelegde advies van de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost (de Veiligheidsregio) van 11 oktober 2021 en de daarbij door het college gegeven toelichting. De rechtbank heeft het college veroordeeld tot vergoeding van de bij Metabel in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten, waaronder € 10.743,00 voor deskundigenkosten.
5. Anders dan de rechtbank heeft verondersteld, heeft het college het branddetectiesysteem niet aan Metabel voorgeschreven op grond van artikel 5, eerste lid, van het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo), maar op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo, omdat het branddetectiesysteem volgens het college de beste beschikbare techniek (BBT) is voor hal 31, hal 46, Z1 en Z2. Tussen partijen is niet in geschil dat het college het branddetectiesysteem als BBT heeft vastgesteld op grond van zijn bevoegdheid in artikel 5.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Bij de toepassing van die bevoegdheid komt het college een zekere beoordelingsruimte toe. De rechtsvraag die partijen verdeeld houdt, is of het college de noodzaak van het voorschrift voldoende heeft onderbouwd.
6. Na de aangevallen uitspraak heeft Metabel het branddetectiesysteem laten installeren in hal 31. In hoger beroep bestrijdt Metabel de instandlating van de rechtsgevolgen alleen voor zover deze betrekking heeft op de geldigheid van het voorschrift voor hal 46, Z1 en Z2. In incidenteel hoger beroep bestrijdt het college het door de rechtbank geconstateerde motiveringsgebrek. In het verlengde daarvan komt het college ook op tegen de veroordeling tot vergoeding van de door Metabel opgevoerde deskundigenkosten.
Hoger beroep van Metabel
7. Metabel betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in de beroepsprocedure alsnog voldoende heeft gemotiveerd dat het branddetectiesysteem noodzakelijk is voor hal 46, Z1 en Z2. Metabel voert aan dat de kans op brand in hal 46, Z1 en Z2 zeer beperkt is. Zij verwijst hierbij naar het in haar opdracht door Anteagroup opgestelde rapport ‘Beschouwing brandveiligheid Metabel B.V. te Deurne’ van 14 april 2021. Daarin staat dat in hal 46, Z1 en Z2 geen brandbare stoffen worden opgeslagen en dat de brandbare koperhoudende filterdoeken alleen in hal 31 worden opgeslagen. Daarnaast wijst Metabel erop dat zij strikte procedures hanteert om brand te voorkomen en dat er nog nooit een brand is geweest in hal 46, Z1 en Z2. Voor zover het materiaal waarin de afvalstoffen zijn verpakt, brandbaar is, wijkt de opslag volgens haar niet af van reguliere opslagvoorzieningen waarvoor het ongebruikelijk is om het branddetectiesysteem verplicht te stellen. Verder voert Metabel aan dat de kans op brandoverslag naar hal 46, Z1 of Z2 zeer gering is. Zij wijst op de aanwezigheid van drie bewakingscamera’s, twee in hal 46 en één in Z1 die ook is gericht richting Z2. Ook wijst zij op de omstandigheid dat hal 46 afgescheiden wordt van Z1 en Z2 door een muur die 60 minuten brandwerend is. Daarnaast is er een buffer van 10 m tussen hal 31 enerzijds en Z1 en Z2 anderzijds. Bovendien is hal 31 opgedeeld in vakken om brandverspreiding te voorkomen en inmiddels uitgerust met het branddetectiesysteem. De kans op brandoverslag van en naar OSBO/KSM is volgens Metabel ook zeer gering, omdat OSBO/KSM haar kabelschroot op een minimale afstand van 5 m van de inrichtingsgrens met Metabel bewaart. Gelet hierop zijn de brandrisico’s minder groot dan het college stelt, zo betoogt Metabel.
7.1. Artikel 5.4, derde lid, aanhef en onder k, van het Bor luidt:
"Bij het vaststellen van de beste beschikbare technieken houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken."
7.2. Uit de revisievergunning volgt dat Metabel gevaarlijke afvalstoffen als nikkelverbindingen en zink-, koper-, tin- en loodhoudend afval verpakt mag opslaan in hal 46, Z1 en Z2. Deze afvalstoffen mogen in poedervorm worden opgeslagen. Metabel heeft te kennen gegeven dat het veelal om poeders gaat die zij opslaat in hal 46, Z1 en Z2. Op de zitting heeft Metabel erkend dat op grond van de revisievergunning brandgevaarlijke koperhoudende filterdoeken in verpakking mogen worden opgeslagen in hal 46, Z1 en Z2. Deze filterdoeken kunnen volgens het door het college in beroep bij de rechtbank overgelegde advies van de Veiligheidsregio van 11 oktober 2021 binnen korte tijd een oncontroleerbare brand veroorzaken als ze vlam vatten. Daarbij acht het college van belang dat in en rond hal 46, Z1 en Z2 brandbare verpakkingen, zoals big bags en pallets, worden gebruikt en opgeslagen en dat in hal 46 een elektrisch aangedreven schrootpers en heftruck aanwezig zijn waarin kortsluiting kan ontstaan. Volgens voormeld advies van de Veiligheidsregio borgt het branddetectiesysteem een snelle alarmering bij beginnende brand, waardoor er meer mogelijkheden zijn voor de brandweer om een compartimentsbrand te voorkomen. Een compartimentsbrand zal volgens dit advies waarschijnlijk leiden tot een rampscenario, waarbij het gehele complex betrokken raakt met gevolgen voor het milieu en de woonomgeving. Het college heeft toegelicht dat een compartimentsbrand in hal 46, Z1 of Z2 ernstige gevolgen met zich kan brengen voor het milieu en de woonomgeving, onder meer omdat de in poedervorm opgeslagen zware metalen via de rookkolom en bluswater naar de omgeving verspreid kunnen worden en daar met name op de lange termijn schadelijk kunnen zijn voor het milieu en de volksgezondheid. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college de noodzaak van het branddetectiesysteem in hal 46, Z1 en Z2 voldoende heeft gemotiveerd.
Wat Metabel aanvoert, geeft geen grond voor een ander oordeel. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat Metabel op de zitting heeft erkend dat de bewakingscamera’s waarop zij zich beroept, niet zijn gecertificeerd voor branddetectie en dat het branddetectiesysteem het aangewezen systeem is als branddetectie is vereist. Het gestelde geringe risico van brandoverslag, wat daarvan ook zij, laat onverlet dat in hal 46, Z1 en Z2 sprake is van een brandrisico. De door het college geschetste milieurisico’s die bij zo’n brand kunnen ontstaan als niet tijdig wordt ingegrepen, hangen samen met de vorm en samenstelling van de opgeslagen afvalstoffen. Gelet daarop snijdt de door Metabel gemaakte vergelijking met reguliere opslagvoorzieningen waar brandbare verpakkingsmaterialen worden gebruikt, geen hout.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het college de noodzaak van het branddetectiesysteem in hal 46, Z1 en Z2 voldoende heeft gemotiveerd.
Het betoog slaagt niet.
Incidenteel hoger beroep van het college
Motiveringsgebrek
8. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de noodzaak van het voorschrift onvoldoende is gemotiveerd in het besluit van 21 augustus 2020. Het college verwijst hierbij naar zijn reactie op de zienswijze van Metabel van 10 juni 2020 op het ontwerpbesluit. In die reactie heeft het college gewezen op het risico van brandoverslag als ergens binnen de inrichting brand ontstaat, op de omstandigheid dat binnen de inrichting stoffen worden opgeslagen die onder het Brzo vallen en op het belang snel actie te kunnen ondernemen bij een brand om grote gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid te kunnen voorkomen. In die reactie staat dat dit een uitwerking is van het advies van de Veiligheidsregio van 8 december 2016.
8.1. In het advies van de Veiligheidsregio van 8 december 2016 wordt over brandoverslag opgemerkt dat de muur van 4 m hoog tussen hal 46 en de opslag van OSBO/KSM geen 60 minuten weerstand biedt tegen branddoorslag en brandoverslag, waardoor brandoverslag kan plaatsvinden. Over het detecteren en doormelden van brand staat in dat advies dat Metabel zelf brand moet detecteren en doormelden aan de hulpdiensten, wat bijvoorbeeld zou kunnen door een detectie met doormelding naar een particuliere alarmcentrale. Daarbij wordt in het advies gewezen op een brand in 2015 die niet door het bedrijf, maar door een passant is gemeld.
In haar zienswijze heeft Metabel erop gewezen dat in hal 46, Z1 en Z2 nog nooit brand heeft plaatsgevonden en dat eind 2016 verbetermaatregelen zijn doorgevoerd om het risico op brand in en brandoverslag vanuit hal 31 te verkleinen. Metabel wijst daarbij op temperatuurmonitoring die buiten werktijden plaatsvindt via een thermische camera door een externe bewakingsdienst. Metabel heeft het college verzocht om deze verbetermaatregelen afdoende te achten en het voorschrift om die reden niet aan de revisievergunning te verbinden.
In zijn reactie op deze zienswijze is het college niet ingegaan op deze verbetermaatregelen en is het alleen in algemene bewoordingen ingegaan op het risico op brand en brandoverslag binnen de inrichting en de gevolgen daarvan. Gelet daarop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college in het besluit van 21 augustus 2020 onvoldoende heeft gemotiveerd dat het voorschrift noodzakelijk is.
Het betoog slaagt niet.
Deskundigenkosten
9. Het college betoogt dat de rechtbank hem ten onrechte heeft veroordeeld tot vergoeding aan Metabel van € 10.743,00 voor deskundigenkosten. Dit zijn de kosten die Anteagroup aan Metabel heeft gefactureerd voor haar rapport van 14 april 2021. Volgens het college komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het rapport van Anteagroup niet heeft geleid tot een geslaagd beroep. De rechtbank is namelijk, anders dan in dat rapport, tot de conclusie gekomen dat het voorschrift noodzakelijk is. Verder voert het college aan dat de kosten onredelijk hoog zijn. Volgens het college is het aantal in rekening gebrachte uren te hoog en zijn de gehanteerde uurtarieven hoger dan het op grond van artikel 6 vanPro het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Besluit) geldende maximale uurtarief voor kosten als hier bedoeld.
9.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:380) komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn.
9.2. Het aangevoerde geeft geen grond voor het oordeel dat het inroepen van Anteagroup in de beroepsfase voor het opstellen van het rapport van 14 april 2021 niet redelijk kan worden geacht. Metabel heeft dat rapport laten opstellen om het besluit van 21 augustus 2020 te kunnen weerspreken, voor zover dat betrekking heeft op het voorschrift. In dat rapport is onder meer ingegaan op het door het college in dat besluit ingenomen standpunt over het risico op brandoverslag en op de door Metabel doorgevoerde verbetermaatregelen als vermeld in de zienswijze. Naar aanleiding van dat rapport heeft de Veiligheidsregio op 11 oktober 2021 advies uitgebracht aan het college. Dat de rechtbank mede op grond van dat advies de rechtsgevolgen van dat besluit in stand heeft gelaten, laat onverlet dat de rechtbank de gegrondverklaring van het beroep van Metabel heeft gebaseerd op wat Metabel in beroep tegen het voorschrift heeft aangevoerd.
In beroep heeft Metabel twee deelfacturen overgelegd. Ook heeft Metabel een urenspecificatie overgelegd, maar die heeft alleen betrekking op een van beide deelfacturen. Uit die specificatie blijkt dat Anteagroup twee uurtarieven heeft toegepast, te weten van € 156,00 en € 176,80, beide exclusief omzetbelasting. Gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6 vanPro het Besluit, zoals dat luidde ten tijde van belang, geldt voor de vergoeding van kosten als hier bedoeld een uurtarief van ten hoogste € 136,19, exclusief omzetbelasting.
Het college heeft niet concreet gemaakt hoeveel uren volgens hem in dit geval redelijk kunnen worden geacht en Metabel heeft geen volledige urenspecificatie overgelegd waaruit blijkt hoeveel uren tegen welk uurtarief aan het rapport is gewerkt. Gelet daarop acht de Afdeling het redelijk om het aantal uren te bepalen door het totaalbedrag van € 10.743,00 te delen door het uurtarief van € 176,80. De deskundigenkosten die voor vergoeding in aanmerking komen, worden dan berekend door dat aantal uren te vermenigvuldigen met het uurtarief van € 136,19 als bedoeld in het Besluit. Het bedrag dat voor vergoeding van de deskundigenkosten in aanmerking komt, is € 8.275,39. Dat bedrag zal niet worden vermeerderd met een bedrag voor omzetbelasting, omdat deze belasting door Metabel als voorbelasting in aftrek kan worden gebracht en daarom niet op haar drukt.
Het betoog slaagt.
Overschrijding van de redelijke termijn
10. Metabel heeft de Afdeling verzocht om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn.
10.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit twee rechterlijke instanties bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt twee jaar gerekend voor iedere rechterlijke fase. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroepschrift van Metabel ontvangen op 5 oktober 2020. De redelijke termijn is in deze procedure dus met een jaar en vijf maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan de Afdeling worden toegerekend.
De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.500,00.
Conclusie
11. Het hoger beroep van Metabel is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van het college is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover daarbij het college is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van Metabel. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het college veroordelen tot vergoeding van bij Metabel in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 9.817,95, waarvan € 1.518,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 8.275,39 aan kosten van deskundigen. De uitspraak van de rechtbank moet voor het overige worden bevestigd, voor zover aangevallen.
12. Het college hoeft geen proceskosten voor het hoger beroep van Metabel te vergoeden.
13. De Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moet Metabel een schadevergoeding betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn.
14. De Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moet de proceskosten vergoeden die Metabel heeft gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding. De Afdeling zal bij de berekening de wegingsfactor 0,5 (licht) hanteren.
14.1.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van Metabel B.V. ongegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant gegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank OostBrabant van 12 april 2022 in zaak nr. 20/2731, voor zover daarbij het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van Metabel B.V.;
IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij Metabel B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 9.817,95, waarvan € 1.518,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 8.275,39 aan kosten van deskundigen;
V. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige, voor zover aangevallen;
VI. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
VII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan Metabel B.V. een schadevergoeding van € 1.500,00 te betalen;
VIII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij Metabel B.V. in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. B. Meijer, en mr. J. Gundelach, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.