Art. 4.6 Invoeringswet OmgevingswetArt. 4.7.3 moederplan Buitengebied Roerdalen - 2e herzieningArt. 4.1 moederplan Buitengebied Roerdalen - 2e herzieningArt. 1.9 moederplan Buitengebied Roerdalen - 2e herzieningArt. 1.10 moederplan Buitengebied Roerdalen - 2e herziening
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen wijzigingsplan vergroting bouwvlak agrarisch bedrijf in Vlodrop
Het college van burgemeester en wethouders van Roerdalen stelde op 23 januari 2024 een wijzigingsplan vast voor de vergroting van het bouwvlak op een agrarisch perceel in Vlodrop. Omwonenden, waaronder appellanten sub 1, sub 2 en sub 3, maakten bezwaar tegen het plan vanwege zorgen over woon- en leefklimaat, verkeer, parkeren, uitzicht, bodemkwaliteit, soortenbescherming en financiële uitvoerbaarheid.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het wijzigingsplan binnen het geldende bestemmingsplan en de planregels valt. Het college had voldoende onderbouwd dat er sprake is van een agrarisch bedrijf en dat de vergroting noodzakelijk is voor bedrijfseconomische redenen. De bezwaren over verkeer, parkeren en milieu werden niet gegrond verklaard, mede omdat de toename van verkeersbewegingen beperkt is en de milieueffecten binnen de richtlijnen blijven.
Ook de bezwaren over het ontbreken van een aanduiding 'loods', mogelijke aantasting van het uitzicht, bodemonderzoek en soortenbescherming werden verworpen. Het college had voldoende onderzoek en motivering geleverd. De financiële uitvoerbaarheid werd eveneens bevestigd door een exploitatieovereenkomst. De beroepen werden daarom ongegrond verklaard en het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het wijzigingsplan voor de vergroting van het bouwvlak in Vlodrop wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
202401610/1/R1.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellanten sub 1], beiden wonend in Vlodrop, gemeente Roerdalen,
2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend in Vlodrop, gemeente Roerdalen,
3. [appellant sub 3], wonend in Vlodrop, gemeente Roerdalen,
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Roerdalen,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 23 januari 2024 heeft het college het wijzigingsplan "[locatie A], Vlodrop" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellanten sub 1] en [appellant sub 3] hebben nadere stukken ingediend.
[belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 januari 2026, waar [appellanten sub 1], bijgestaan door mr. M. Sikkes, rechtsbijstandverlener in Apeldoorn, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. B.R. Jongerhuis, rechtsbijstandverlener in Zoetermeer, en het college, vertegenwoordigd door B. Schreurs en G.W. Timmermans, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een wijzigingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het wijzigingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 22 februari 2021 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Toetsingskader
2. Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan mag de planologische aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarover de wijzigingsbevoegdheid gaat in beginsel als een gegeven worden beschouwd als is voldaan aan de in het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden die in een bestemmingsplan zijn opgenomen, doet niets af aan de plicht van het college van burgemeester en wethouders om in de besluitvorming over de vaststelling van een wijzigingsplan ook na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming gerechtvaardigd is.
Inleiding
3. Het wijzigingsplan voorziet in de vergroting van het bouwvlak in de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - 1" op de locatie [locatie A] Vlodrop, kadastraal bekend als Vlodrop, sectie […], nr. […]. De eigenaar van dit perceel en initiatiefnemer is [belanghebbende]. Volgens de plantoelichting biedt de bestaande loods te weinig ruimte voor de gewenste agrarische bedrijfsactiviteiten. Het is de bedoeling dat de loods wordt gebruikt om biologisch geteelde prei en aardappelen te verwerken en verder te verpakken tot winkelklaar product.
4. Het college heeft het wijzigingsplan vastgesteld met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4.7.3 van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied Roerdalen - 2e herziening" (hierna: moederplan), door de raad van Roerdalen vastgesteld op 21 april 2016. Op grond van het moederplan rust op het perceel de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - 1" en is aan het perceel een bouwvlak toegekend. In de genoemde bepaling staat dat het college het plan ter plaatse van de gronden met deze bestemming zodanig kan wijzigen dat vergroten van een bouwvlak is toegestaan. Daarbij moet de vergroting noodzakelijk zijn vanwege een voorgenomen vergroting om bedrijfseconomische dan wel andere bedrijfsomstandigheden van het op het te wijzigen bouwvlak gevestigde bedrijf.
5. [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] zijn omwonenden en kunnen zich niet met het wijzigingsplan verenigen. Zij vrezen voor aantasting van onder meer hun woon- en leefklimaat.
Ingetrokken beroepsgronden
6. [appellanten sub 1] hebben op de zitting de beroepsgronden dat geen sprake is geweest van een gedegen participatietraject, dat zij niet zijn geïnformeerd over de vaststelling van het bestemmingsplan en dat de kennisgeving gebrekkig was, ingetrokken. Ook hebben zij op de zitting de beroepsgrond dat de parkeerplaatsen niet zijn geborgd en dat niet duidelijk is of er voldoende ruimte is voor het laden en lossen, ingetrokken.
De wijzigingsvoorwaarden
7. [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] betogen dat ten onrechte de wijzigingsbevoegdheid is toegepast, omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarde in artikel 4.7.3, aanhef en onder (tweede) a en b, van het moederplan voor het gebruik van deze bevoegdheid. Hiertoe voeren zij aan dat ter plekke geen sprake is van een gevestigd (agrarisch) bedrijf. Volgens hen is er ter plaatse geen bedrijf actief en worden er geen activiteiten als bedoeld in artikel 1.10 van het moederplan uitgevoerd. Verder wijzen [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] en anderen erop dat de ter plaatse aanwezige loods niet voor agrarische bedrijfsvoering wordt gebruikt, maar voor particuliere opslag, stalling van voertuigen en een groentetuin. [appellant sub 3] wijst er verder op dat [belanghebbende] werkzaam is bij een andere agrariër. Ook bestaat er geen inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) van een onderneming ter plaatse en heeft hij daar nooit agrarische activiteiten ontplooid zien worden. [appellanten sub 1] wijzen er verder op dat [belanghebbende] gelet op zijn principeverzoek met het wijzigingsplan een geheel andere invulling wil geven aan het gebruik van de (nieuw te bouwen) loods. Het is volgens hen evident dat een nieuw bedrijf wordt beoogd, gericht op het verwerken (wassen en verpakken) van aardappel- en preiteelt tot winkelklaar product. Gelet hierop kan van vergroting van de bedrijvigheid geen sprake zijn. Tot slot voeren [appellanten sub 1] en [appellant sub 3] aan dat er geen bedrijfseconomische redenen aan het verzoek ten grondslag liggen, maar privéomstandigheden. Volgens [appellant sub 3] exploiteert [belanghebbende] geen (agrarisch) bedrijf, zodat er ook geen noodzaak is voor de vergroting van het bouwvlak vanwege bedrijfseconomische of andere bedrijfsomstandigheden. Aan de voorwaarde in artikel 4.7.3, aanhef en onder b, van het moederplan wordt dan ook niet voldaan.
7.1. Artikel 4.7.3 van het moederplan luidt:
"Burgemeester en wethouders kunnen het plan ter plaatse van gronden met de bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - 1 zodanig wijzigen dat vergroten van een bouwvlak is toegestaan, met inachtneming van het volgende:
a. deze wijzigingsbevoegdheid is niet van toepassing op gronden met de aanduiding 'intensieve veehouderij';
a. de vergroting dient noodzakelijk te zijn vanwege een voorgenomen vergroting om bedrijfseconomische dan wel andere bedrijfsomstandigheden van het op het te wijzigen bouwvlak gevestigde bedrijf;
b. de noodzaak tot uitbreiding dient aangetoond te worden door middel van een bedrijfsplan waarbij tevens moet worden aangetoond waarom sloop en herbouw van bedrijfsgebouwen niet tot de mogelijkheden behoort;
[…]"
Artikel 4.1 van het moederplan luidt:
"De voor "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - 1" aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf zoals genoemd in artikel 1 lidPro 1.10;
[…]"
Op grond van artikel 1.9 van het moederplan wordt onder "agrarisch aanverwant bedrijf" verstaan:
"een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het verlenen van diensten, het leveren van dieren of goederen aan agrarische bedrijven of dat is gericht op het verwerken of het opslaan van dieren of agrarische (aanverwante) producten, die afkomstig of bedoeld zijn van/voor agrarische bedrijven; hieronder worden geen grootschalige industriële activiteiten begrepen."
Op grond van artikel 1.10 van het moederplan wordt onder "agrarisch bedrijf" verstaan:
"een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in:
a. akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen sier-, fruit- en bollenteelt;
b. grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond (waaronder ook begrepen een paardenfokkerij);
c. sierteelt: de teelt van tuin- en potplanten en/of bomen, al dan niet met behulp van kassen en al dan niet gecombineerd met de handel in deze gewassen;
d. fruitteelt: de teelt van fruit op open grond;
e. bollenteelt: de teelt van bloembollen in samenhang met de teelt van bolbloemen."
7.2. De Afdeling overweegt dat artikel 4.1, aanhef en onder a, van het moederplan in samenhang gelezen met artikel 1.10 van het moederplan, regelt wat voor agrarisch bedrijf ter plaatse mag worden geëxploiteerd. Op de zitting is toegelicht dat [belanghebbende] een perceel ten noordoosten van het plangebied pacht. Op dat perceel teelt hij groenten en deze worden binnen het plangebied opgeslagen. Het gaat hier dus om eigen producten en niet om producten die door andere agrarische bedrijven zijn geteeld, zodat geen sprake is van een agrarisch aanverwant bedrijf, wat binnen het plangebied overigens niet is toegelaten. Het college heeft verder ter zitting toegelicht dat de noodzaak van de vergroting van het bouwvlak uit de principeaanvraag blijkt, die is aangemerkt als het bedrijfsplan en als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd. Daaruit blijkt onder meer dat vergroting van het bouwvlak noodzakelijk is, omdat de huidige loods niet de ruimte biedt om de geteelde producten te sorteren en te verpakken tot een winkelklaar product. Zo moet er in de loods ruimte zijn voor onder andere de opslag van de agrarische producten, een wasruimte en een sorteer- en verpakkingsruimte. De huidige loods is voor deze activiteiten te klein en is bovendien in slechte staat.
De Afdeling ziet in wat is aangevoerd geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de hiervoor weergegeven toelichting. Daarbij betrekt de Afdeling dat uit het overgelegde uittreksel van de KvK volgt dat [belanghebbende] onder andere groenten, aardappelen en overige wortel- en knolgewassen teelt. Dat er op de locatie van het plangebied geen bedrijf is ingeschreven in het handelsregister van de KvK, betekent op zichzelf niet dat binnen het plangebied geen agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 1.10 van de planregels is gevestigd. Bovendien vereisen de planregels geen inschrijving in het handelsregister van de KvK om te kunnen spreken van een agrarisch bedrijf als bedoeld in dat artikel. Voor het oordeel dat met het wijzigingsplan een geheel andere invulling wordt gegeven met de beoogde loods, ziet de Afdeling evenmin aanleiding. Op de zitting is namelijk toegelicht dat de loods nu ook al wordt gebruikt voor de opslag van de producten die [belanghebbende] teelt. [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] hebben die toelichting op de zitting onvoldoende overtuigend weerlegd. Verder ziet de Afdeling, mede gelet op de gegeven toelichting, geen aanleiding voor het oordeel dat het college de noodzaak als bedoeld in artikel 4.7.3, aanhef en onder (tweede) a en b, van het moederplan niet heeft kunnen afleiden uit de principeaanvraag die het als bedrijfsplan heeft aangemerkt en vormvrij is.
De Afdeling is gelet op het vorenstaande van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wijzigingsplan niet in strijd is met artikel 4.7.3, aanhef en onder (tweede) a en b, van het moederplan.
De betogen slagen niet.
Geen bouwvlak?
8. Kessel en anderen betogen dat in het vorige bestemmingsplan het bouwvlak voor de loods niet aanwezig was.
8.1. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 2] en anderen zo dat zij hiermee betogen dat geen gebruik kon worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid vanwege het ontbreken van een bouwvlak in het moederplan. De Afdeling stelt vast dat in het moederplan een bouwvlak is opgenomen, zodat dit betoog geen feitelijke grondslag heeft.
Het betoog slaagt dus niet.
Aanduiding "loods"
9. [appellant sub 3] betoogt dat de aanduiding "loods" ter plaatse in het wijzigingsplan en het moederplan ontbreekt. [belanghebbende] beoogt een grotere loods te realiseren, maar omdat die aanduiding ontbreekt, is het onduidelijk of een (grotere) loods mag worden gerealiseerd binnen het bouwvlak, aldus [appellant sub 3].
"a. De regels zoals opgenomen in artikel 4 vanPro het bestemmingsplan "Buitengebied Roerdalen - 2e herziening" […] zijn van overeenkomstige toepassing op dit plan, met dien verstande dat het vestigen van een grondgebonden geitenhouderij niet is toegestaan;
[…]"
Artikel 4.2 van het moederplan luidt:
"Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:
a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ten dienste van de bestemming worden gebouwd;
[…]"
9.2. De Afdeling stelt vast dat in het moederplan en in het wijzigingsplan de aanduiding loods inderdaad ontbreekt. Maar dat betekent niet dat geen gebruik kan worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid. De wijzigingsbevoegdheid is immers toegepast ten behoeve van de vergroting van het bouwvlak en is niet gekoppeld aan de aanduiding "loods".
Voor zover [appellant sub 3] beoogt te betogen dat vanwege het ontbreken van de aanduiding loods in het wijzigingsplan ter plaatse geen loods kan worden gerealiseerd, overweegt de Afdeling dat op grond van artikel 3, onder a, van het wijzigingsplan, in samenhang gelezen met artikel 4.2, aanhef en onder a, van het moederplan op de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - 1" gebouwen ten dienste van de bestemming mogen worden gebouwd. Dat betekent dat de loods binnen het bouwvlak mag worden gebouwd, omdat die ten dienste van de bestemming staat.
Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college het wijzigingsplan niet heeft mogen vaststellen zoals het heeft gedaan.
Het betoog faalt.
Verkeer
10. [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] betogen dat onvoldoende is onderzocht wat de gevolgen zijn van de te verwachten toename van het verkeer voor de veiligheid en het gebruik van de omliggende wegen. Hiertoe voeren [appellanten sub 1] aan dat uit de plantoelichting volgt dat er rekening is gehouden met een toename van 20 motorvoertuigbewegingen per week. Dit is volgens hen onjuist, omdat er op dit moment geen bedrijf op het perceel is gevestigd en geen sprake is van bedrijfsactiviteiten. [appellant sub 3] voert verder aan dat voor de berekening van de verkeersbewegingen ten onrechte is uitgegaan van de cijfers die [belanghebbende] heeft aangeleverd. Volgens hem had moeten worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Daarnaast voeren [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] en anderen aan dat de Randweg en de Steinwinkelweg niet geschikt zijn voor de toename van middel tot zwaar vrachtverkeer. Volgens hen gaat het hier om een onverharde weg van slechts 3 m breed, terwijl de weg minimaal 3,5 m moet zijn. Ook wijzen [appellanten sub 1] erop dat in de plantoelichting wordt erkend dat de toegangsweg niet geschikt is voor vrachtverkeer. Dat tussen de gemeente en [belanghebbende] afspraken zijn gemaakt dat de Randweg wordt onderhouden en schoongemaakt, neemt volgens hen niet weg dat de weg in aanleg en breedte ongeschikt is voor vrachtverkeer.
10.1. Volgens paragraaf 4.1.1 van de plantoelichting zullen de producten worden aangeleverd met landbouwvoertuigen en worden deze afgevoerd met middelzware vrachtwagens. De af- en toevoer zal plaatsvinden via de Steinwinkelweg/de Randweg naar de Bergerweg. De vrachtwagens worden vervolgens via de lokale wegenstructuur in oostelijke of westelijke richting naar respectievelijk de N570 of de N293/N274 geleid. Verder staat in paragraaf 4.1.2 van de plantoelichting dat het aantal verkeersbewegingen zal toenemen door de toename van de werkzaamheden en de uitbreiding van de capaciteit van de loods. Voor de verkeersaantrekkende werking wordt uitgegaan van de door [belanghebbende] aangeleverde bedrijfsgegevens, waarbij 4 landbouwvoertuigen of middelzware vrachtwagens per week zorgen voor 8 motorvoertuigbewegingen per week, aangevuld met 10 lichte voertuigen per week, resulterend in 20 motorvoertuigbewegingen per week. De Afdeling volgt [appellanten sub 1] niet in hun betoog dat dit aantal onjuist is omdat ter plaatse geen bedrijf is gevestigd. Zoals hiervoor onder 7.2 is overwogen, is er namelijk wel een agrarisch bedrijf gevestigd. Voor het oordeel dat het college niet heeft kunnen uitgaan van een toename van in totaal 28 motorvoertuigbewegingen per week, ziet de Afdeling evenmin aanleiding. [appellanten sub 1] en [appellant sub 3] hebben niet geconcretiseerd waarom dit geen reëel en aannemelijk uitgangspunt is.
Anders dan [appellanten sub 1] stellen, wordt in de plantoelichting niet erkend dat de Steinwinkelweg niet geschikt is voor vrachtverkeer. De Steinwinkelweg is volgens de plantoelichting een half verharde erftoegangsweg van ongeveer 3 m, terwijl deze weg conform de CROW-richtlijnen 3,5 m breed moet zijn. Dit betekent op zichzelf nog niet dat de weg niet geschikt wordt geacht voor vrachtverkeer. De Afdeling stelt verder vast dat de Randweg op de kruising met de Steinwinkelweg een breedte heeft van ongeveer 3 m. Maar richting de Bergerweg heeft de Randweg op de kruising met de Prinsenweg een breedte van ongeveer 5,5 m. Dat de Steinwinkelweg en voor een gedeelte ook de Randweg weliswaar betrekkelijk smal zijn, leidt op zichzelf niet tot het oordeel dat sprake zal zijn van een verkeeronveilige situatie. Daartoe overweegt de Afdeling dat de Steinwinkelweg een landbouwweg is, waar alleen landbouwverkeer gebruik van zal maken. De lokale wegenstructuur kan volgens het college de toename van het aantal verkeersbewegingen per week als gevolg van het wijzigingsplan zonder problemen verwerken. Verder heeft het college op de zitting onbestreden toegelicht dat deze wegen ook regelmatig voor landbouwverkeer worden gebruikt en dat dit niet tot verkeers(veiligheids)problemen leidt. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten om aan de juistheid van deze toelichting te twijfelen, mede gelet op de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het wijzigingsplan. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wijzigingsplan niet tot verkeers(veiligheids)problemen leidt.
De betogen slagen niet.
Parkeren
11. [appellanten sub 1] en [appellant sub 3] betogen dat het wijzigingsplan leidt tot een onaanvaardbare parkeerdruk. Zij wijzen erop dat er enkel is gekeken naar bedrijvigheid in de vorm van kleinschalige aardappel- en preiteelt en verwerking van deze producten, terwijl toetsing aan de maximale planologische mogelijkheden had moeten worden verricht. Volgens hen is uitgegaan van een verkeerd oppervlak van het bouwvlak. Het ingetekende bouwvlak heeft immers een oppervlakte van 940 m² en niet 800 m².
11.1. Hoewel de vraag of er voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd pas in het kader van de toetsing van het bouwplan voor de loods aan de bouwregels van het moederplan aan de orde zal komen, dient het college bij de vaststelling van dit wijzigingsplan al wel te bezien of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Daarom zal de Afdeling hierna beoordelen of op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien, en dat het college zich om die reden niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wijzigingsplan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.
11.2. Volgens paragraaf 4.1.3 van de plantoelichting is het college voor de berekening van het aantal parkeerplaatsen uitgegaan van de kencijfers van de CROW-publicatie 381. Het college heeft daarbij de functie "arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf" gehanteerd. Hiervoor geeft de publicatie, uitgaande van de gebieds- en functietypering "buitengebied" en "niet stedelijk gebied", een parkeernorm van minimaal 0,8 tot maximaal 1,3 parkeerplaatsen per 100 m². Bij de berekening van het aantal parkeerplaatsen is uitgegaan van ongeveer 800 m². Uitgaande hiervan heeft het college berekend dat voor het wijzigingsplan, bij hantering van de minimale norm van 0,8 in totaal zes parkeerplaatsen, en bij hantering van de maximale norm van 1,3 in totaal tien parkeerplaatsen nodig zijn. Vrachtwagens en landbouwvoertuigen zijn in deze kengetallen niet meegenomen. Er worden op het bedrijfsperceel voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd voor personenauto’s en indien nodig voor vrachtwagens en landbouwvoertuigen. Het perceel biedt hier ruim voldoende ruimte voor. Het agrarisch bedrijf hoeft geen gebruik te maken van de openbare ruimte, aldus de plantoelichting.
11.3. De Afdeling ziet in wat is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college voor het bepalen van de parkeerbehoefte niet heeft kunnen kiezen voor de functie "arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf". Voor het oordeel dat dat geen representatieve invulling voor het gebruik van het perceel is, ziet de Afdeling geen aanleiding. Over het bouwvlak stelt de Afdeling vast dat dit ongeveer een omvang van 940 m² heeft. Het college heeft ter zitting toegelicht dat het bouwvlak weliswaar een omvang van 940 m² heeft, maar dat de loods een omvang zal hebben van 800 m² en dat daarom bij de berekening daarvan is uitgegaan. De Afdeling overweegt dat zelfs als wordt uitgegaan van een loods van 940 m², wat bij hantering van de maximale norm van 1,3, zou resulteren in dertien parkeerplaatsen, niet aannemelijk is gemaakt dat op het perceel met een omvang van meer dan 4.700 m² onvoldoende ruimte is voor de aanleg voor drie extra parkeerplaatsen.
Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien. Er bestaat daarom geen aanleiding voor de conclusie dat het wijzigingsplan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening is vastgesteld.
De betogen slagen niet.
Woon- en leefklimaat
12. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] en anderen vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat. Hiertoe voeren zij aan dat het wijzigingsplan zal leiden tot geluid- en stofoverlast. Kessel en anderen vrezen vooral voor geluidoverlast vanwege de ventilatoren die nodig zijn voor het drogen van gewassen. [appellanten sub 1] wijzen er verder op dat de Randweg en de Steinwinkelweg onverharde wegen zijn en dat het af- en aanrijden van voertuigen gepaard gaat met veel stof- en zandvorming. Verder vrezen [appellant sub 2] en anderen voor overlast van ongedierte. De raad stelt zich volgens [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] en anderen ten onrechte op het standpunt dat geen overlast zal worden verwacht gelet op de kleinschaligheid van het bedrijf. Immers, de raad heeft geen afweging gemaakt van de te verwachten overlast uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden. Het bouwvlak is namelijk groter en bovendien kunnen ter plaatse alle in artikel 1.10 van de planregels genoemde activiteiten worden verricht en niet enkel de bedrijvigheid van [belanghebbende]. Hier en met de belangen van de bewoners is volgens [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] en anderen geen rekening mee gehouden in de belangenafweging.
12.1. De Afdeling stelt voorop dat het wijzigingsplan ten opzichte van het moederplan niets wijzigt aan de ter plaatse toegekende agrarische bestemming met alle mogelijkheden die het plan planologisch maximaal biedt. Het wijzigingsplan ziet enkel op de wijziging van het bouwvlak. Bij het beoordelen van de aanvaardbaarheid van de ruimtelijke gevolgen voor de aspecten geluid en stof vanwege het wijzigingsplan, heeft het college aansluiting gezocht bij de richtlijnen van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Er wordt in dit geval voldaan aan de aanbevolen richtafstanden, uitgaande van de omgevingstype "rustige woonwijk" van 10 m voor geur en stof en 30 m voor de activiteit "akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)". Gelet op het vorenstaande heeft het college de gevolgen vanwege het wijzigingsplan voor de aspecten geluid en stof niet onaanvaardbaar hoeven achten.
Over de overlast van ongedierte heeft het college toegelicht dat buitenopslag gelet op artikel 3, onder a, van het wijzigingsplan in samenhang gelezen met artikel 4.4, aanhef en onder b, van het moederplan alleen is toegestaan binnen het bouwvlak. Overlast van ongedierte wordt dan ook niet verwacht. Gelet op de toelichting van het college ziet de Afdeling in het niet gemotiveerde betoog van [appellant sub 2] en anderen geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet op dit standpunt heeft mogen stellen.
Gelet op het vorenstaande heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat het wijzigingsplan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] en anderen.
De betogen slagen niet.
Uitzicht
13. [appellanten sub 1] betogen dat sprake zal zijn van een onevenredige inbreuk op hun uitzicht. Hiertoe voeren zij aan dat het college geen rekening heeft gehouden met het hoogteverschil tussen de woonpercelen en het plangebied, waardoor zij meer zicht zullen hebben op het plangebied. In dat verband verwijzen zij naar een afbeelding gegenereerd door het Actueel Hoogtebestand Nederland. Volgens hen ligt hun woning op 30,47 m NAP en ligt de westzijde van het perceel op zijn laagst op 27,92 m NAP, wat een hoogteverschil van ongeveer 2 tot 2,5 m geeft. Het is volgens [appellanten sub 1] onduidelijk of het bouwvlak opgehoogd of verlaagd zal worden.
13.1. De Afdeling overweegt dat ter plaatse van het bouwvlak volgens het moederplan "overige bedrijfsgebouwen" met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 m en 12 m mogelijk zijn. Op grond van artikel 3, onder a, van het wijzigingsplan, in samenhang gelezen met artikel 4.2, aanhef en onder g, van het moederplan gelden voor "overige bedrijfsgebouwen" dezelfde goot- en bouwhoogte. Gelet hierop is er planologisch geen wijziging in de hoogte van de bebouwing op het perceel.
Ook de wijze van meten is niet gewijzigd, gelet op artikel 2 vanPro het wijzigingsplan. Daarin is bepaald dat bij de toepassing van deze regels wordt gemeten of gerekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 2 vanPro het moederplan. In aanmerking genomen dat de afstand tussen het bouwvlak en de woning van [appellanten sub 1] ongeveer 124 m bedraagt, heeft het college zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat het wijzigingsplan niet zal leiden tot een onevenredige inbreuk op het uitzicht van [appellanten sub 1].
Het betoog faalt.
Bodemonderzoek
14. [appellanten sub 1] betogen dat niet inzichtelijk is gemaakt of onderzoek is verricht naar de bodemkwaliteit. Zij wijzen erop dat uit de Bodemkwaliteitskaart van de gemeente Roerdalen blijkt dat het plangebied de functie Landbouw/Natuur heeft. Volgens de "Beleidsregel van de gemeenteraad van de gemeente Roerdalen houdende regels omtrent de Nota Bodembeheer Limburg Noord 2020-2029" geldt bij Landbouw/Natuur dat uit vooronderzoek moet volgen dat sprake is van een onverdachte locatie.
14.1. De aanwezigheid van mogelijke verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van eventuele sanering van verontreinigde plaatsen en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Die procedures liggen nu niet ter beoordeling voor. Maar het college mag het wijzigingsplan niet vaststellen als het college op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan in de weg staat.
Volgens paragraaf 4.9.2 van de plantoelichting en zoals het college heeft toegelicht blijft het gebruik van de grond qua bodemfunctieklasse gelijk. Het gebruik kent de klasse "overige - landbouw/natuur" op grond van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Roerdalen. Omdat dit wijzigingsplan niet leidt tot (bodem)functiewijziging en geen vermoeden van een ernstige bodemverontreiniging aanwezig is, wordt in dit kader geen bodemonderzoek noodzakelijk geacht. De bodemkwaliteit wordt volgens de plantoelichting verondersteld voldoende goed te zijn voor het beoogde gebruik en vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen tegen het wijzigingsplan. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten om aan de juistheid daarvan te twijfelen.
Gelet op het vorenstaande heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat dit aspect redelijkerwijs op voorhand niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan.
Het betoog slaagt niet.
Soortenbescherming
15. [appellanten sub 1] betogen dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van de vuursalamander in het gebied.
15.1. Het college mag het wijzigingsplan niet vaststellen als en voor zover het op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan in de weg staat.
15.2. Aan het wijzigingsplan is de "Quickscan Ecologische verkenning Randweg 28g Vlodrop" van mei 2020 (hierna: Quickscan), opgesteld door W.H.M. Tegels, ten grondslag gelegd. Daaruit blijkt dat de te slopen landbouwloods geen jaarrond beschermde nesten of verblijfplaatsen van vleermuizen bevat. Ook zijn er geen sporen van aanwezigheid van andere (beschermde) diersoorten, aldus de Quickscan.
Tegels heeft nader toegelicht dat er volgens de Nationale Database Flora en Fauna en in de verspreidingsatlas van de kennisorganisatie voor reptielen, amfibieën en vissen (Ravon) enkel in 2022 sprake is geweest van een losse waarneming van een vuursalamander. Dit betrof echter geen wild exemplaar. Daarnaast volgt uit de habitatomschrijving van Ravon dat het plangebied niet voldoet aan de biotoopeisen van de vuursalamander. Sinds 2000 zijn volgens Tegels buiten Zuid-Limburg geen wilde exemplaren aangetroffen.
Gelet op de Quickscan en de nadere toelichting van Tegels heeft het college zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan in de weg staat. Dat [appellanten sub 1] of een buurman in de Lindenlaan, op een afstand van ongeveer 62 m tot het plangebied, een vuursalamander hebben waargenomen maakt dit niet anders. Daarbij is van belang dat [appellanten sub 1] hebben volstaan met de enkele stelling dat er waarnemingen zijn gedaan van de vuursalamander en zij hebben een foto overgelegd, maar deze waarnemingen zijn niet gestaafd met gegevens.
Het betoog slaagt niet.
Financiële uitvoerbaarheid
16. [appellanten sub 1] en [appellant sub 3] betogen dat het wijzigingsplan financieel niet uitvoerbaar is. Zij wijzen erop dat uit de plantoelichting volgt dat [belanghebbende] er financieel gezien minder goed voorstaat. Daaruit volgt immers dat [belanghebbende] vanwege zijn gezondheidsbeeld niet genoeg inkomsten genereert.
16.1. Bij een beroep tegen een wijzigingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat wijzigingsplan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit als het college had moeten inzien dat het wijzigingsplan om financieel-economische of andere redenen op voorhand niet uitvoerbaar is.
Volgens paragraaf 6.1.1 van de plantoelichting heeft het college met [belanghebbende] een (anterieure) exploitatieovereenkomst gesloten waarin de kosten voor de grondexploitatie worden verhaald op deze ontwikkelende partij. Daarom heeft het college zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat er geen redenen zijn waarom het wijzigingsplan op voorhand niet uitvoerbaar is.
De betogen slagen niet.
Conclusie
17. De beroepen zijn ongegrond.
18. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. N.H. van den Biggelaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. van Helvoort, griffier.